Hello Mister!

Uit Amerika komen topprestaties op elk gebied, en ook wansmaak en commercialiteit. Verzet daartegen heeft niets met cultuurpessimisme te maken.

Naar verluidt maken de Amerikanen zich zorgen over de toename van anti-Amerikanisme in de wereld.

Tja, hoe zou dat nou toch komen?

Kyoto will come back to haunt Bush, schreef Thomas Friedman in de New York Times. ,,America is developing an image problem'', aldus Philip Bowring in de Herald Tribune. ,,The US misreads the causes of anti-Americanism'', waarschuwde William Pfaff in de Los Angeles Times.

Je zou haast geloven dat president Bush er bewust op uit was om zijn reputatie waar te maken, met zijn besluit dat Amerika zich niets hoeft aan te trekken van de Kyoto-accoorden en vrijuit naar olie mag boren in natuurreservaten. Maar er komt ook bij dat Amerikanen vaak moeite hebben met het duiden van signalen uit het buitenland. William Pfaff illustreerde dat met een uitspraak van minister van financiën Paul O'Neill over Japan, waar het economisch niet zo goed gaat. O'Neill bepleitte ,,dat er iets gedaan moest worden om de Japanners te helpen een hogere levensstandaard te bereiken''. Nu is de Japanse levensstandaard eerder hoger dan die van de VS, maar ,,Mr O'Neill, zoals wel meer zakenmannen, nam voetstoots aan dat iedereen in de wereld een achterlijk leven leidt vergeleken bij de Amerikaanse levensstandaard''.

Wat Pfaff ook noemt is dat Amerikanen denken dat Europese producten altijd minder geavanceerd zijn dan Amerikaanse en alleen maar kunnen concurreren omdat ze gesubsidieerd worden. Intussen meten ze met twee maten, schrijft Bowring. ,,Oost-Azië reageerde pragmatisch op de financiële crisis, opende de markten voor concurrentie, zoals gevraagd door het IMF. Maar de huidige financiële politiek van de VS in eigen land is het tegengestelde van de versoberingspolitiek die in Azië werd afgedwongen.''

Dat herinnert aan het onderwerp managers, inkomens van. De pers heeft er op het ogenblik veel belangstelling voor: Nederlandse topmanagers blijken hun inkomen vorig jaar met 14% te hebben verhoogd, nadat zij dat het jaar daarvoor al hadden gedaan met 12,9%. Lagere inkomens stegen hooguit 3,5% en worden ook nog aangespoord zich te matigen.

Amerika wordt algemeen gezien als voorbeeld en inspiratiebron van deze ontwikkelingen. En onredelijk is dat niet: bij ons zijn de hoogste inkomens ongeveer zeventien keer zo hoog als de laagste, in Zweden dertien keer, in Zwitserland elf keer, en in Amerika vierhonderdvijfenzeventig keer.

Protest hiertegen kun je dus moeilijk anti-Amerikanisme noemen, maar toch gebeurt dat. Er is de laatste tijd, inderdaad uit de Verenigde Staten, een ongelofelijke, niets en niemand ontziende inhaligheid overgewaaid, die zich manifesteert op alle gebieden waar managers aan te pas komen, en dat is nu zowat alles, met dramatische consequenties. Daar rijst uiteraard verzet tegen. En de zaak is nu dat er mensen zijn die denken of voorgeven te denken dat zulk verzet voortkomt uit persoonlijke irrationele motieven: nostalgie naar het verleden, cultuurpessimisme, anti-Amerikanisme.

Degenen die dat zeggen zijn natuurlijk in de eerste plaats de managers. Maar het wonderlijke is dat zij de enigen niet zijn. Er bestaan ook journalisten, ja zelfs schrijvers en kunstenaars die meehuilen met de managers. De recentste was Arjen Fortuin in de boekenbijlage van twee weken geleden: ,,Ondergangsprofeten beleven gouden tijden'', en hij benutte de gelegenheid om mijn publicatie over de culturele invloed van Amerika nog eens op zijn beurt te beschrijven als `het meest verbazingwekkende cultuurpessimistische stuk van het afgelopen jaar'.

Nu is het waar dat ik in dat `stuk' een misrekening had gemaakt: ik had mij bediend van beeldspraak, van satire, en dat kun je in Nederland beter niet doen. Zo verwees ik naar Amerika in de religieuze terminologie van Ayatollah Khomeiny als `De Grote Satan'. Ik ging ervanuit dat een verstandig mens uit een zo overdreven beeld op zou maken dat deze kwalificatie mij geen ernst was; maar daar vergiste ik mij dus in. Ik vind het nog steeds ongelofelijk, bestaan er werkelijk imbecielen die zoiets letterlijk nemen? Als er bij mij dergelijke vooroordelen bestonden zouden die toch ook aanwijsbaar moeten zijn in mijn verdere werk, en hoe zien zulke dimwits Amerikaanse schrijvers die zich ook op die manier uitdrukken, zoals Gore Vidal of recentelijk Maureen Dowd?

In het debat dat op mijn artikel volgde hebben zich onvoorstelbare mallotigheden gemanifesteerd, gevoed door de gretigheid om zich voor te doen als `jong' en `dynamisch', vrij van cultuurpessimisme en vooroordelen jegens Amerika en door grote karakterloosheid.

De neiging om kritiek voor te stellen als voortkomend uit lage motieven is van alle tijden. In Japan worden aanmerkingen op de Japanse economische politiek afgedaan als `Japan bashing'. In feite is er zelden sprake van anti-Amerikanisme, maar gewoon van kritiek. Anti-managers, anti-zakenmannen, anti-marktideologie, soit. Maar anti-een land waar ook de topprestaties op zowat alle gebieden vandaan komen, dat is zinloos.

De VS zijn dominant, ze zijn de sterkste, daarom willen zoveel kleine baasjes met autoriteitsproblemen erbij horen; vandaar ook de populariteit van baseballpetjes en T-shirts met de namen van Amerikaanse universiteiten. Het betekent ongeveer hetzelfde als die opgeschoten jongens overal in de derde wereld, die je `Hello Mister!' naroepen.

De VS hebben de macht, daar komt het allemaal door; ook op cultureel gebied brengen zij nu eenmaal de meeste eersterangsproducten voort. Maar de complicatie is dat zij ook veel meer inferieure rommel produceren, en ook daarmee de markt beheersen. Hoe? Een willekeurig voorbeeld uit de filmwereld (over de boekenmarkt hebben we het nu al zo vaak gehad): de film Eloge de l'amour van Jean Luc Godard is `een spijkerharde aanval op de Amerikaanse filmindustrie, die met films als Saving Private Ryan Europese verhalen annexeert en manipuleert, om ze vervolgens als Amerikaanse producten over de wereld te verspreiden'; ik citeer Ronald Ockhuysen uit de Volkskrant van 17.5.01. Intussen komen buitenlandse films de VS niet in; daarvoor zijn ingewikkelde redenen: in een debat hierover in de International Herald Tribune las ik een interessante beschouwing van een Franse specialist (J. Portes, hoogleraar Amerikaanse geschiedenis aan de Université de Paris VIII), waaruit bleek dat de Amerikaanse filmlobby ervoor gezorgd heeft dat nagesynchroniseerde films geen toegang krijgen tot de markt. Dat is een van de redenen dat er in Amerika vrijwel geen buitenlandse films worden vertoond. Bijna alle Amerikanen zijn ervan overtuigd dat dit komt door de superioriteit van de Amerikaanse film.

Wie kritiek heeft op zulke dingen wordt uitgemaakt voor `cultuurpessimist'. Wat is dat toch voor onzin? Verzet tegen commercialiteit heeft niets met pessimisme te maken. Het echte cultuurpessimisme is een geloof, bijvoorbeeld dat er tegen `de tucht van de markt' toch niets is te beginnen. Zelfbedrog, zoals vroeger als je iets aanwees dat niet deugde in een Volksrepubliek, dan kreeg je te horen dat dat niet het ware Communisme was, het bewees niet dat het Marxisme onjuist was. Nu gebeurt precies hetzelfde met het marktmechanisme. `If deregulation fails, it wasn't real deregulation' (Krugman in International Herald Tribune 20.2.01). De spoorwegen in Engeland en de electriciteitsvoorziening in Californië zijn mooie voorbeelden en er zijn uitspraken van ontroerende onschuld over te citeren, onder anderen van Bolkestein.

Een andere dooddoener is wie kritiek heeft verwijten dat hij geen oplossingen aanbrengt: ,,[...]Vooral omdat voor de veronderstelde bron van alle kwaad, de vrije-markt economie, geen alternatief wordt geformuleerd'' (Hans Wansink, in de Volkskrant, 12.5). Maar alternatieven formuleren hoeft niet; als ik constateer dat de treinenloop in de war is, hoef ik geen opinie te hebben over hoe dat moet worden opgelost, zoals er ook niet uit volgt dat ik `anti-spoorwegen' ben.

Zoals wel vaker (met betrekking tot de spelling bijvoorbeeld) vervult het meeloperige gedrag van de Nederlanders mij ook hier weer met weerzin. De bedreiging van de Europese cultuur is geen hersenschim en het gevecht ertegen is menens. De enigen die – hoe grillig en chauvinistisch ook – tenminste een beetje verzet hebben geboden tegen de voornamelijk uit Amerika komende invasie van commercialiteit zijn de Fransen. Misschien voel ik dat zo omdat ik het grootste deel van mijn leven in Frankrijk heb gewoond, ik vind dat het ons een voorbeeld zou moeten zijn. Soms denk ik aan een gedicht van Remco Campert uit 1950, dat begint: ,,De hemel is niet te verleiden zo kuis..'' Het gaat over Parijs, het eerste glas wijn van de dag. De dichters slapen nog, onvoltooid ligt hun werk op tafel. En dan komt die prachtige regel aan het eind: zomaar Europa denk ik Europa Europa...

Dat herinnert aan het onderwerp: managers, inkomens van