De politiek en de poenscheppers

Exhibitionistisch of exorbitant? Wim Kok bedoelde waarschijnlijk het laatste toen hij in 1997 als minister-president voor het eerst de buitensporige loonstijgingen aan de top van het Nederlandse bedrijfsleven bekritiseerde, maar hij zei ,,exhibitionistische zelfverrijking'. Het dwangmatig exhiberen van de eigen salarisverhoging is nu juist iets wat leden van raden van bestuur niet graag doen. Liever wordt er stilletjes geïncasseerd. Maar dat kan steeds minder nu ook in Nederland de vennootschapswetgeving meer en meer Angelsaksische trekken krijgt. Het leidt ertoe dat de jaarverslagen op het punt van de openbaarheid van inkomens van leden van raden van bestuur steeds minder prudent worden.

De Volkskrant maakt van die gedwongen inkijkjes nu al jaren achtereen een journalistiek feestje. `Topmanager krijgt opnieuw fors meer', zo opende de krant afgelopen zaterdag. Het verhaal was gelardeerd met namenlijstjes en duizelingwekkende bedragen. Er schijnen kanttekeningen gemaakt te kunnen worden bij de precieze berekeningswijze, maar dat het begrip loonmatiging aan de top een andere lading heeft dan bij overige werknemers, is overduidelijk. Waar men voor zichzelf kan zorgen, zorgt men meestal ook goed voor zichzelf.

Is dat erg? Niet volgens de Haagse trambestuurder die hierover deze week in een nieuwsuitzending van TV West werd ondervraagd. Hij was tevreden met zijn eigen salaris en wat anderen verdienden moesten ze vooral zelf weten. Wel erg vindt nagenoeg elke politicus het. Bijna net zo traditioneel als het jaarlijkse Volkskrantbericht over de bevoordeling aan de top is het verontwaardigde spoeddebat dat erop volgt in de Tweede Kamer.

En zo was er dus ook afgelopen woensdag weer een oefening in politieke onmacht te aanschouwen. Want als het gaat om het financieel disciplineren van de top van het bedrijfsleven is, zoals premier Kok het deze week met veel gevoel voor understatement onder woorden bracht, het ,,beïnvloedingsveld vanuit de rijksoverheid' niet bijster groot. Er kan slechts gehoopt worden op goede bedoelingen en verantwoordelijkheidsgevoel bij hen die het aangaat, maar helaas. Als het loonstrookje in het geding is, zijn al die topbestuurders net mensen.

Vervolgens houdt het voor de politiek wel ongeveer op. Maar durft de politiek dat ook te erkennen? In Groot-Brittannië zit premier en Labourleider Blair met exact hetzelfde probleem. Ook daar loopt de inkomensontwikkeling aan de onder- en bovenkant al jaren achtereen fors uiteen. Blair werd er de afgelopen weken tijdens de verkiezingscampagne herhaaldelijk mee geconfronteerd, maar weigerde mee te huilen. Zolang de grote groep van de lage inkomens er op vooruitging zag hij geen heil in geforceerde maatregelen om de inkomensstijging van een verhoudingsgewijs kleine groep aan de top te beperken.

Politiek kent zijn beperkingen, weet Blair en hij draagt dat dan ook uit als het moet. Een dergelijke boodschap is voor Nederlandse begrippen te direct. Het geprangde gemoed dat de salarisontwikkeling bij de top van het bedrijfsleven in het parlement heeft weten te veroorzaken, vereist ten minste de suggestie van maatregelen. Dus kondigde de immer ijverige minister Vermeend van Sociale Zaken deze week maar weer eens een vergelijkend onderzoek aan naar de gesignaleerde loonstijging. Een overbodige exercitie want terwijl dat onderzoek nog moet beginnen is premier Kok, zo bleek tijdens het Kamerdebat, al de mening toegedaan dat de loonsverhogingen aan de top in een groot aantal gevallen ,,buitensporig' en ,,ongeloofwaardig' zijn.

Aan verontwaardigde woorden geen gebrek. Ze hebben allemaal geen betekenis als maatregelen uitblijven. En die maatregelen blijven uit, want het ontbreekt de overheid eenvoudigweg aan het instrumentarium er wel wat aan te doen. Tenzij gekozen wordt voor de `kleptocratentax' van FNV-voorzitter De Waal. Maar hiervan zei de vakbondsvoorman zelf dat hij dit begrip meer had gelanceerd om de discussie los te maken dan dat hij er ook werkelijk in geloofde.

Dat De Waal zich opwindt over het zeer specifieke beloningsbeleid in delen van het bedrijfsleven, is vanuit zijn positie bezien begrijpelijk. Hij moet zijn leden tot zelfbeperking oproepen. Dat wordt ingewikkeld als mensen aan de top, van wie bij uitstek een voorbeeldfunctie zou mogen worden verwacht, voor zichzelf liever de beloningsversneller hanteren. Maar politici moeten oppassen dat hun verontwaardiging blijft steken in vrijblijvendheid, want dat gaat slechts ten koste van hun geloofwaardigheid.

Premier Kok ergert zich al sinds 1997 aan de ,,zelfverrijking' van de top van het bedrijfsleven, maar dat bedrijfsleven lacht hem in zijn gezicht uit, getuige het massaal negeren van zijn diverse oproepen tot bescheidenheid. Hoe anders moeten de opmerkingen van voorzitter Jacques Graven van de werkgeversorganisatie VNO-NCW worden geduid? Tegenover zijn eigen verenigingsblad Forum verklaarde hij vorige week dat inkomens van topbestuurders na een ,,inhaalslag' thans ,,aan de Europese maat' zijn. Met andere woorden: de al sinds 1997 gevoerde ,,stevige gedachtewisselingen' van Kok met de werkgevers over de salarisstijgingen aan de top waren van geen waarde. Kok is beleefd aangehoord, waarna het excentrieke beloningsbeleid vaak in verhevigder mate is voortgezet.

Een moreel oordeel vanuit de politiek is snel geveld, maar daar blijft het noodgedwongen bij. Fatsoen laat zich nu eenmaal moeilijk van overheidswege regelen. Men heeft het of niet. Als het salariëring betreft beschikt het gros van de werknemers over meer fatsoen dan sommige leidende figuren in het bedrijfsleven. Zolang het niet andersom is, zou deze geruststellende wetenschap toch eigenlijk voldoende moeten zijn voor alle nu zo verontwaardigde politici.

Rectificatie

Jacques Schraven

In de column De politiek en de poenscheppers van Mark Kranenburg (in de krant van vrijdag 8 juni, pagina 7) werd gesproken over VNO-NCW-voorzitter Jacques Graven. Dit moet zijn: Jacques Schraven.