Brendel dient glanzende Goerne

In de reeks concerten waarmee Alfred Brendel in het Amsterdamse Concertgebouw zijn verjaardag viert, was gisteren de bariton Matthias Goerne zijn gast. In Amsterdam is Goerne het bekendst als solist bij het Concertgebouworkest in Mahlerrepertoire, maar in het liederenprogramma wist hij in de overvolle Grote Zaal nog moeitelozer alle nuances van zijn stem te demonstreren.

Op het programma stonden twee liederencycli: Beethovens An die ferne Geliebte en Schuberts Schwanengesang, een postume verzameling `letzte Lieder', hier aangevuld met Herbst, eveneens uit Schuberts sterfjaar 1828. Het gebrek aan een strenge eenheid van sfeer in beide cycli is voor veel zangers aanleiding om met een uitbundig veelkleurige vertolking hun vocale capaciteiten te exploreren. Maar Goerne hield zijn fraaie stemgeluid vooral ingetogen monochroom en zocht de variatie in andere, meestal veel moeilijker inzetbare middelen: perfecte wisselingen in dynamiek en tempo, subtiele schakeringen in de expressie en een overtuigend geacteerde dramatische voordracht in de bocht van de vleugel, met soms de armen in wanhoop of overgave hoog terzijde op de klep.

In Beethoven deed Goerne veel met de expressie, variërend van klaaglijk duister, fluisterend en `hees' tot zoete verwondering. De enige `kleuring' in de Schubertliederen bestond uit het in verschillende gradaties wit laten oplichten van stem in de hogere regionen: hel, bleek, vaal, helder, stralend of gloedvol. Het sterkst werkte dat bij liederen die werden gezongen in een bijzonder laag tempo, zoals Am Meer: `Mir hat das unglückselige Weib/ vergiftet mit ihren Tränen.'

Soms klonk Goerne onwerkelijk en surrealistisch, zoals in Ihr Bild, elders verleende hij aan `hemelse' passages een glanzend aura, zoals de zinsnede `Und sein letzter Strahl verglühet'. Voor het overige is het prettige van Goerne dat hij niet elke lettergreep tot een apart en zeer bestudeerd kunstwerkje probeert te maken. Hij ziet de liederen als een eenheid, een stroom die voortgang moet hebben, een vloeiend geheel dient te zijn, zonder al te veel precieuze pretenties, ook niet in het geliefde Ständchen: de slotzin `Komm, beglücke mich' klonk hier meer gebiedend dan week-verleidelijk.

Brendel stelde zich steeds dienend op. Hij was de klassieke begeleider die niet op de voorgrond treedt, maar wel her en der zijn hoogstpersoonlijke inbreng heeft, zoals een verrassende ritmiek in Beethovens Es kehret der Maien of die paar bleek oplichtende Schubertnootjes, toen Goerne in Ständchen zong over `des Mondes Licht'.

Het deel na de pauze was met slechts zes liederen zeer kort. Goerne zong nog als schijnbare `toegift' het lichte Die Taubenpost, maar dat is gewoon het laatste nummer van Schwanengesang. Het was door Brendel en Goerne niet opgenomen in het officiële programma, dat kennelijk extra zwaar eindigen moest met het zeer langzame en pathetische Der Doppelgänger – `du bleiche Geselle!'. Toen er kennelijk nog veel geklapt zou moeten worden voor een èchte toegift, droop het publiek af.

Concert: Matthias Goerne (bariton) en Alfred Brendel (piano). Gehoord: 7/7 Concertgebouw Amsterdam.