Bij de eerste klap was ze verkocht

Waarom wil een `nice girl' anderen pijn doen en zichzelf bont en blauw laten slaan? Net als bij mannen gaat het vrouwen die boksen vooral om één, tegenwoordig felbegeerd goedje: respect.

Drie boeken van kenners.

In het Turning Stone Casino in Verona, New York zal vanavond een wel heel bijzonder vervolg plaatsvinden op drie legendarische bokspartijen uit de jaren zeventig tussen Muhammed Ali en Joe Frazier. De eerste daarvan, in 1971, werd gewonnen door Frazier, de laatste twee door Ali. Het sluitstuk van deze slopende trilogie, die uitgroeide tot een onverzoenlijke persoonlijke vete, was de fameuze `Thrilla in Manilla' in 1975. `De dichtste benadering van sterven', omschreef winnaar Ali zijn ervaring achteraf. Ondertussen keek vanaf de eerste rij een twaalfjarige Jacqui Frazier toe hoe er niets overbleef van haar vader. Vanavond staat Jacqui Frazier-Lyde (39) in de ring tegenover Laila Ali (23), in wat door de pr-mensen al Ali-Frazier IV is gedoopt.

Een media-event en een aanfluiting voor serieuze vrouwelijke boksers, volgens anderen. Geen van beide vrouwen staan op de ranglijsten – Ali traint weliswaar al drie jaar, maar heeft haar vlekkeloze record (9-0, waarvan acht knock-outs) voornamelijk te danken aan te zwakke opponenten. Dat geldt ook voor Frazier (7-0, waarvan zeven kock-outs), die nu krap een jaar bezig is, specifiek met het doel om revanche te kunnen nemen op de Ali's. Maar tegenstemmen zeggen dat elke vorm van aandacht, en zeker de hoge honoraria, alleen maar goed zullen zijn voor vrouwen in de bokswereld.

Vrouwen in de bokswereld? Er zijn mensen die niet van hun bestaan af weten. En er zijn mensen die vinden dat er helemaal geen plaats is in de ring voor vrouwen, behalve die in een badpak en op stiletto's over het canvas paraderen met het nummerbordje van de volgende ronde. Zo schreef Joyce Carol Oates in haar klassieke essay uit 1987, On Boxing: `Boxing is for men, and is about men, and is men. A celebration of the lost religion of masculinity all the more trenchant for its being lost.' Het is tevens het motto van Rope Burns. Stories from the Corner, de eerste verhalenbundel van de 71-jarige bokstrainer F.X. Toole.

Rope Burns is een van drie recentelijk verschenen boeken waarin de bokswereld door insiders wordt belicht. De andere twee, The Boxer's Heart. How I Fell in Love with the Ring en Looking for a Fight van respectievelijk Kate Sekules en Lynn Snowden Picket, zijn memoires, en bieden een uniek vrouwelijk perspectief. Maar alle drie proberen ze antwoord te geven op de vraag, wat mensen in het algemeen bezielt om te gaan boksen – om ronde na ronde, gevecht na gevecht, telkens weer klappen te incasseren – en daarin blijken vrouwen en mannen minder van elkaar te verschillen dan Oates suggereert.

Afbeulen

Is het al opmerkelijk dat er binnen korte tijd maar liefst twee boksboeken van vrouwen verschijnen, de curieuze overeenkomsten tussen Sekules en Picket maken dit nog eens zo opvallend. Beide schrijfsters zijn achter in de dertig, afkomstig uit een blank middle class milieu, werken als journalist voor glossy tijdschriften, wonen in New York, en hebben getraind in dezelfde boksschool, Gleason's (waar ze elkaar blijkbaar nooit hebben ontmoet). Maar daar houden de vergelijkingen op.

Picket benadert Gleason's vanuit haar achtergrond als `participerend journalist', altijd op zoek naar de `real deal'. Het resultaat is dat ze, ondanks de vele uren dat ze zich er afbeult, altijd een relatieve buitenstaander blijft. Geen moment wekt ze de indruk dat ze bokst voor haar plezier; eerder lijkt het een zelfopgelegde plicht om zichzelf iets te bewijzen – ze is tenslotte geen `quitter', schrijft ze. Maar na een jaar houdt ze het voor gezien.

The Boxer's Heart heeft een heel andere toon. Sekules schreef een geestig, intelligent en rijk verslag van haar ervaringen, en uit elke pagina spreekt de liefde voor haar onderwerp. Via een boksende aerobicslerares komt ze in 1992 terecht in Gleason's Gym in Brooklyn, en vanaf het moment dat ze er voor het eerst binnenloopt, is ze verkocht. Gleason's, de oudste en beroemdste boksschool in de Verenigde Staten, heeft dan ook een sfeer waar reclamemakers een moord voor zouden doen. Een kantoor behangen met gesigneerde foto's van kampioenen die er getraind hebben (onder anderen Jack LaMotta en Larry Holmes), een kleurrijke gemeenschap van boksers, trainers en randfiguren, door Sekules liefdevol beschreven – geen wonder dat er voortdurend filmploegen en fotografen langskomen. Gorgeous grit is wat ze allemaal willen, zegt Sekules, en behalve geld is dat wat iedereen van boksen wil, inclusief zijzelf.

Sekules schildert een levendig beeld van de sfeer in de gym, van het harde werken, de frustraties, maar ook de kameraadschap en de bijzondere intimiteit tussen bokser en trainer. Ze verweeft dit met het spannende verslag van haar eigen bokscarrière, inclusief twee gevechten als `prof' (de leeftijdsgrens voor amateurs is 32), graaft naar haar eigen motieven en biedt en passant ook nog een korte overzichtsgeschiedenis van het vrouwenboksen. Grotendeels ondergronds, uit het zicht van de `beschaafde samenleving', blijkt deze geschiedenis wel degelijk te bestaan, van het eerste bekende gevecht in 1728 tot Battling Barbara Buttrick, `The Mighty Atom', uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, de eerste vrouw die in de Boxing Hall of Fame werd opgenomen. Een en ander geeft Sekules' boek een breedte en diepte die bij Picket volledig ontbreken. Terwijl Sekules haar literaire boksklassiekers kent en koestert – van de achttiende-eeuwse schrijver Pierce Egan (Boxiana) tot Hemingway, Mailer, Leonard Gardner (Fat City) en A.J. Liebling, leest Picket bezorgd de medische encyclopedie, die ze naslaat op elk pijntje.

Toch heeft Picket een paar interessante inzichten te bieden in de verborgen drijfveren van de bokser. In haar geval zijn die namelijk tamelijk eenduidig, en zo klassiek als het maar kan: woede en machteloosheid. Picket begon met boksen toen ze net een pijnlijke echtscheiding achter de rug had. Woedend was ze, op haar ex-man, en woedend opeens weer alleen te zijn: `Ik wil iemand in elkaar slaan. Ik wil weten wat het is om fysieke macht te hebben over een man. Ik wil angst aanjagen. I want to matter.' Vervelend voor haarzelf en haar omgeving is alleen, dat haar woede en agressie nauwelijks afnemen door het boksen. `Ik wilde het pure genot van geweld smaken', zegt ze, en ze stelt dat dat wel eens de belangrijkste reden zou kunnen zijn dat mensen gaan boksen – een opvatting die weinig recht doet aan de complexiteit van de vechtsport. Ook Joyce Carol Oates stelt dat boksen een uiting kan zijn van onmacht en woede, het soort woede dat een volstrekt legitieme reactie is op bepaalde maatschappelijke misstanden. Maar ze heeft daar een belangrijke aanvulling op: `Het is de enige menselijke activiteit waarbij woede ondubbelzinnig kan worden omgezet in kunst.' De kunst is wat boksen tot boksen maakt; bij Picket blijft het woede.

Beschadigde delen

Sekules is zich er veel meer van bewust dat haar persoonlijke beweegredenen om te boksen niet zo eenvoudig zijn te benoemen. `Ik heb een hekel aan geweld,' verklaart ze. `Desalniettemin, de eerste keer dat ik een stoot maakte, was ik verkocht.' Het is een verontrustende tegenstrijdigheid – hoe kan een `nice girl' als zij de bereidheid vinden om anderen pijn te doen, en om zichzelf helemaal beurs te laten slaan? – die haar tevergeefs naar een bevredigend antwoord doet zoeken. Het ligt misschien aan haar jeugd, denkt ze, aan het opgroeien als tomboy, vechtend tegen vrouwelijke stereotypes. Daarbij stipt Sekules summier haar familieachtergrond aan, in het voorbijgaan, maar gelukkig laat ze die geen loodzware rol spelen. `Ik neem aan dat ik met mijn beschadigde delen speel,' concludeert ze monter, zich realiserend dat ook dit geen verklaring is.

Trouwens, iedereen in de gym heeft wel een of andere achterstand, en maakt daar goed gebruik van. `Om zonder enige scrupules klappen te kunnen uitdelen helpt het om zelf te zijn geslagen toen je nog te jong was om terug te slaan,' merkt Sekules droogjes op. En temidden van de zwarten, latinos, Ierse immigranten, working class arbeiders en andere sociale minima, nemen vrouwen in Gleason's een natuurlijke plaats in – alle goede boksers zijn immers traditioneel afkomstig uit bevolkingsgroepen die niet bepaald de touwtjes in handen hadden.

Boksen is voor vrouwen bovendien een probaat middel tegen de terreur van het slankheidsideaal, stelt Sekules. Na de `estrogen-filled rooms full of career-dieters' op aerobics en fitness is het voor haar een openbaring om een sport te beoefenen waarbij gewicht niet een probleem is maar een wapen in de strijd, en waarbij in de kleedkamer wordt gepraat over hoe je kunt aankomen, in plaats van afvallen. Ze amuseert zich kostelijk met de gewichtsperikelen van de mannen, (`een satire op mijn tienerjaren'),die met een minuscuul handdoekje om op de weegschaal springen, om er fronsend weer af te stappen, en onder de douches uitroepen, `Oh man, I got eight more pounds!'

Af en toe wordt alle zelfonderzoek in The Boxer's Heart wat veel, temeer omdat Sekules heeft aangetoond ook erg meeslepend te kunnen schrijven over de sparring en gevechten, over de angst, de adrenaline, en hoe het voelt om een écht harde stoot op je neus te krijgen. Het is tijdens haar tweede gevecht als `prof' dat Sekules tegen haar psychologische grenzen aanloopt: `I have heart [...] but I don't have enough to stop anothers heart in it's tracks.' Bovendien wordt boksen voor haar steeds meer een vorm van vluchtgedrag, waarbij blauwe plekken ervoor zorgen dat ze andere soorten pijn niet hoeft te voelen. Ze besluit te stoppen met vechten.

Maar trainen doet Sekules nog steeds bij Gleason's, dat ze als een tweede familie beschouwt. De ondertitel van haar boek luidt niet voor niets `How I Fell in Love with the Ring'. De pijnlijke, dubbelzinnige aantrekkingskracht van het boksen is nu eenmaal in alle betekenissen van het woord een passie. Geen wonder dat al haar rationele zelfonderzoek daar geen zinnige verklaring voor kon vinden.

Voodoo

Iemand die er wel een volkomen plausibele uitleg voor heeft, is de 71-jarige F.X. Toole: `Magic. It's why I'm in it. For the voodoo.' Toole begon pas met boksen toen hijzelf al over de veertig was, maar de hartstocht voor de sport werd hem met de paplepel ingegoten. Hij beschrijft in zijn introductie hoe hij al halverwege de jaren dertig met zijn Ierse vader aan de radio zat gekluisterd wanneer er een match was. In de jaren vijftig bezocht hij Madison Square Garden, maar pas veel later werd hij zelf een `member of the fancy', een bokstrainer en `cut man', degene die tijdens een wedstrijd het bloeden kan stoppen met allerlei middeltjes. Pas toen ging hij begrijpen wat hem altijd zo aantrok in boksen: `It was the science of fighting, and the heart it takes to be a fighter. Boxing was an exercise of the mind.'

Misschien komt het door deze vanzelfsprekende ervaring met boksen, een leven lang, dat Toole zijn tijd niet hoeft te verdoen met de vraag naar het waarom – hij wéét waarom mensen boksen: `boxing, after all is said and done, is about respect.' (Sekules' motivatie komt in feite op hetzelfde neer, alleen hoeft Toole er minder lang over na te denken). Wat hij wil in zijn verhalen is de magie overbrengen, de magie van de ring, van `bleeders' en `pretty fighters', van de relatie tussen trainer en bokser, tussen winnaar en verliezer. Het resultaat is een bundel met zes uitmuntende boksverhalen, waarin Toole zijn feilloos gevoel voor ritme, timing en spreektaal met maximaal effect aanwendt. Een paar behoren tot de beste korte verhalen die ik ooit las.

In het titelverhaal Rope Burns neemt Toole een oude Ierse trainer, Mac, zijn achttienjarige bokser Puddin, die zich zojuist voor de Olympische spelen heeft gekwalificeerd, een gang en Macs favoriete Mexicaanse restaurant. Hij plaatst ze in het Los Angeles van de Rodney King-rechtszaak en voert ze naar een ontknoping die niet zou misstaan in een film van Quentin Tarantino, maar dan zonder de slapstick.

`Million $$$ Baby' is het verhaal van Maggie `Macushla' en haar trainer-tegen-wil-en-dank Frankie (`Girls getting busted up went against everything he believed in'), die na hun aanvankelijke strubbelingen een glansrijke bokscarrière tegemoet lijken te gaan. Een interessant gegeven, omdat Toole (in weerwil van Oates' motto) Maggie precies dezelfde ambities en kwaliteiten toedicht als zijn mannelijke boksers. Weliswaar loopt het niet goed af, maar dat geldt voor wel meer verhalen in deze bundel, en aan Maggies inspanningen heeft het niet gelegen. Tooles personages bezitten namelijk die meest essentiële eigenschap voor boksers, `heart': de wil om door te vechten, door de pijn heen, juist ook wanneer je aan het verliezen bent.

Daar is niets sentimenteels aan. Zo is er de 32-jarige Mookie, die zich na een slopende partij door een corrupte scheidsrechter beroofd weet van het geld dat hij nodig heeft voor zijn familie, en van zijn carrière. Het verhaal eindigt als Mookie en zijn trainer Odell weer in het vliegtuig terug naar L.A. zitten:

`What this business?' Odell said to the kid.

Mookie couldn't look at him, ashamed of the water coming down from his dark glasses. `You know.'

`You lose a eye, go blind?'

`My mama don't get no house,' said Mookie, turning to Odell.

`You quittin?'

`Hell no!'

`Then wipe your face, boy. We got no dog in us.'

Meer valt er niet te zeggen, over heart, of over de magie van het boksen.

F.X. Toole: Rope Burns. Stories from the Corner. Secker & Warburg, 237 blz. ƒ46,70 Kate Sekules: The Boxers Heart. How I Fell in Love with the Ring Villard, 238 blz. ƒ69,95 Lynn Snowden Picket: Looking for a Fight. The Dial Press, 286 blz. ƒ69,95