ZIELIGE FILMS

Children of a Lesser God was eerst een toneelstuk van Mark Medoff en daarna in 1986 een film van Randa Haines. Het is verreweg de belangrijkste film die ooit over doven gemaakt is: je kunt zelfs stellen dat de emancipatie van de dovencultuur er een beslissende impuls door heeft gekregen.

Aanvankelijk waren doven in films natuurlijk vooral zielig. Ze brachten hun ouders tot wanhoop, zoals in het plechtige Engelse drama Mandy (Alexander MacKendrick, 1952), of zorgden voor melodramatisch heldendom, in bijvoorbeeld The Miracle Worker (Arthur Penn, 1962), over de legendarische doofblinde Helen Keller.

De Oscar voor de toen 21-jarige Marlee Matlin, die de hoofdrol in Children of a Lesser God gebaarde, zal zeker voor een deel te verklaren zijn uit de fascinatie voor haar handicap. Ook kan niet beweerd worden dat dove acteurs en actrices sindsdien ruim bedeeld zijn met hoofdrollen in Hollywoodfilms, getuige de povere filmografie van Matlin. Maar het inzicht dat gebarentaal een ten minste gelijkwaardige vorm van expressie is, en dat het isolement van doven ook een probleem van horenden is, drong door die ene film verbazend snel tot het bewustzijn door.

Er is maar een andere speelfilm, zij het van aanzienlijk minder allure, die door doven en mensen uit hun omgeving herkend is als authentiek en relevant. De Duitse productie Jenseits der Stille (Caroline Link, 1997) gaat over een kind van dove ouders (`coda' of `child of deaf adults'), dat probeert een identiteit tussen twee werelden te bevechten. Vooral de rollen van de dove acteurs Emmanuelle Laborit en Howie Seago overtuigden in deze voor een Oscar als beste buitenlandse film genomineerde `probleemfilm'.

Niet zelden worden coda's doventolk van beroep. Die keuze maakt ook Pierre Bokma in de Nederlandse telefilm Storm in mijn hoofd (Frans Weisz, 2000), als partner van een dove vrouw (Nederlands voornaamste dove actrice, Suzanne Davina).

Controversieel door zijn onversneden melodramatiek was Mr. Holland's Opus (Stephen Herek, 1995), waarin muziekleraar Richard Dreyfuss aanvankelijk woedend is over de doofheid van zijn zoon. Ook hij besluit later zijn leven te wijden aan het dovenonderwijs, maar de kracht van de film zit niet in deze triomf van het Goede. Overtuigend was vooral de verbeelding van de schok van de ontdekking dat een peuter een brandweersirene niet kan horen.

Talloos zijn de thrillers en komedies die doofheid gebruiken als plotmiddel. De bekendste komedie is wellicht See No Evil, Hear No Evil (Arthur Hiller, 1989), die door de hardheid van de grappen met enige goede wil emancipatorisch genoemd zou kunnen worden. In thrillers is het niet kunnen horen ten minste even belangrijk als het niet kunnen praten, op essentiële momenten. Vaak worden doofheid en stomheid daarin verward. Zoals in de rechtbankthriller Suspect (Peter Yates, 1987), met Cher als advocaat van Vietnamveteraan Liam Neeson, die door een granaat gehoor en spraak tegelijk is kwijtgeraakt. Het voordeel dat Meryl Streep in The River Wild (Curtis Hanson, 1994) als coda heeft – ze kan als gijzelaar in een kano communiceren met haar zoontje in een taal die de boeven niet verstaan – wordt nauwelijks uitgebuit.

De metaforische mogelijkheden van gebarentaal zijn in speelfilms nog maar weinig toegepast. Michael Haneke's Code: Inconnu (2000) komt het verst, door de niet-ondertitelde verhalen van gebarende kinderen in de proloog tot symbool te maken van de communicatieproblemen tussen mensen uit verschillende culturen.