Trou Moet Blycken

Graafmasjien

Hy kruip uit kreukels van die brein

af langs die hand oor wit papier

en snuffel met die potloodlyn

oor ribbe van die waterdier.

Met werwelbeen uit staal gewring,

klounael gekantel teen die as,

word hy ons stadspoort ingebring,

die slaaf van hierdie tenger ras.

Vyf vingers aan die hefboom dryf

sy kake grommend in die gruis;

die nagte hurk sy drakelyf

geduldig tussen straat en huis.

Maar somtyds (dit mag toeval wees)

gryp hy 'n bekvol bloed en vlees.

G.A. Watermeyer (1917-1972)

We mogen ons in de handen wrijven van geluk dat onze literatuur tijdens en aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog geen grote foute talenten heeft voortgebracht. Er waren een paar schipperaars, een beetje fout en met een beetje talent, maar de indrukwekkendste namen waar het nationaal-socialisme in de poëzie prat op kon gaan waren toch wel die van Jan Eekhout en Martien Beversluis. Bitter brood van Steven Barends, de vertaler van Mein Kampf, en Bloed in de sneeuw van George Kettmann jr. waren de typische bundels van de oorlog, om een tweetal hoogtepunten te noemen.

Niet eens vergeten talenten, nooit talenten geweest.

Hoe hadden wij ons er uit moeten redden als ons landje een fascistisch literair genie had opgeleverd? We hadden wagonladingen zand nodig gehad, en nog meer zand, aangevoerd in een ononderbroken transport, om de fijnzinnigheden van onze nationale discussie over goed en fout onder te schoffelen.

We hebben de bittere waarheid dat een groot schrijver een weerzinwekkend mens kan zijn nooit onder ogen hoeven te zien.

Er zijn wel redelijke talenten een tijdje fout geweest, maar altijd maar een tijdje en altijd niet meer dan redelijk fout. We beschikken niet over goeie schrijvers die bar en boos van morele slechtigheid waren.

In Zuid-Afrika hebben ze G.A. Watermeyer.

Geen genie, maar ook geen tweederangsdichter. D.J. Opperman en Elisabeth Eybers schreven bewonderend over hem. Een vierentwintig-karaats fascist was hij wel.

Zijn debuutbundel Sekel en simbaal verscheen in 1948. Het hoofdgedicht daaruit, de Ballade van die Bloeddorstige Jagter, werd nog op muziek gezet door de Nederlandse componist Henk Badings, die naar bekend behoorde tot onze redelijk fouten. Bloed en bodem komen veel in de bundel voor, de sikkel uit de titel heeft met het boerenleven te maken, met de nieuwe oogst en het dreigende communisme, er is een grote hang naar het gezonde oerleven, weg van de decadente stad. Sociaal-realisme, maar in draaglijke verzen.

Racisme, apartheid, eigen volk eerst, nationalisme komen er niet expliciet in voor.

Je moet met een lantaarntje zoeken naar sporen van apartheid in de Afrikaanse poëzie. De enige van begin tot eind van racisme doordrenkte bundel is Watermeyers tweede Afrikaanse dichtbundel (hij publiceerde eerst nog Engelse gedichten) Die republiek van duisend jaar, uit 1957. Een weerzinwekkend boek vol belabberde poëzie. Genoeg om de naam van Watermeyer nooit meer te willen horen. Daarop volgde, in 1961, nog de bombast van zijn Taalfeeskwatryne, aftandse rijmpjes op volk en vaderland.

Nog één keer kwam hij met een reprise van zijn verrassende debuut terug, in 1965 met de bundel Bitter brood. De titel, curieus genoeg, van de oorlogsbundel van Steven Barends, onze eigen stinker. Daarin staan opnieuw een paar bijzondere gedichten.

Poëzie is een trouweloos baken.

Bijgaand gedicht Graafmasjien hoort volkomen thuis in de fascistisch-futuristische mythologie van machinemensen, metropolis-constructies en de schrille kreet van de laatste overlevende tussen beton en basalt.

De machine die de mens verslindt. De mens die wordt verzwolgen door zijn eigen schepping.

De tovenaarsleerling.

De robot met de bloeddoorlopen ogen.

Graafmasjien begint met een beeld dat we kennen uit tekenfilms: iets begint al te leven, vol ongeduld, terwijl het nog op papier wordt gezet. Afkomstig uit de kronkels van de geest en uit het tekenende potlood kruipt en snuffelt het al. Lijkt het op een krokodil?

Het monster dat we zelf hebben gemaakt, uit de krochten van onze geest, kruipt bij ons binnen en neemt bezit van ons. In de tweede strofe verandert de beeldspraak (Watermeyer is notoir nonchalant in zijn beeldspraak, al accepteren we de ontsporing hier) – als een paard van Troje wordt het gedrocht onze vesting binnengevoerd. We hebben het gevaar niet eens in de gaten. Met zijn compacte wervelbeen en zijn tegen de as gekantelde klauwnagel roept hij geen argwaan op. Hij lijkt een slaaf, een dienaar van de tengere mensjes.

Hij is even tenger als wij.

Wij zijn net zulke slaven als hij.

Wij lijken hem te beheersen. Op het bevel van onze mechanische handen gromt hij mechanisch. Toch is de derde strofe vol dreiging. De machine heeft kaken. De machine hurkt. De machine bezit het lijf van een draak. De machine kan wachten.

Maar somtyds (dit mag toeval wees)

gryp hy 'n bekvol bloed en vlees

– het is een abrupt, kil beeld. Het is gedaan met de schepper. De laconieke, tussen haakjes geplaatste kanttekening pepert ons nog eens in, voor het geval dat we wat traag van begrip zijn, dat het monster hem niet toevallig, niet per ongeluk heeft vermalen.

Destructie en ondergang zijn dichterlijke thema's. Maar je bent een fascistisch dichter, denk ik, als je op deze manier schrijft over de kwade krachten van de vooruitgang.