Naar de gewone school

Steeds meer dove kinderen gaan naar het reguliere onderwijs. Dat vereist wel aanpassingen, zowel voor de leerlingen als voor de scholen.

EVERT IS VIJFTIEN. Toen hij een jaar was kreeg hij hersenvliesontsteking en werd hij doof. Nu zit hij in 3-vwo van het Stedelijk College Zoetermeer. Een gewone school. Steeds meer ouders kiezen voor hun dove zoon of dochter niet langer voor een speciale dovenschool, maar voor een school om de hoek. ,,Sommigen zien dit als een bedreiging voor het voortbestaan van de dovenscholen'', zegt Harry Knoors, directeur Diagnostisch Centrum van het Instituut voor Doven in Sint-Michielsgestel. ,,Eén van onze dovenscholen heeft dit jaar voor het eerst minder leerlingen binnen haar muren dan ze in het regulier onderwijs begeleidt. Maar er komt iets voor in de plaats. We zullen steeds meer een expertisecentrum voor het regulier onderwijs worden. Daar liggen onze kansen.''

Eind 18de eeuw werden in Nederland de eerste dovenscholen opgericht. Nu zijn er vijf doveninstituten met elk verschillende scholen voor basis- en voortgezet onderwijs. Het gevolg van de integratie van doven in het regulier onderwijs is dat de populatie van de dovenscholen verandert. De kinderen die `alleen maar' doof zijn stromen uit, waardoor op de instituten vooral kinderen met meer handicaps verblijven. Op het Doveninstituut Effatha in Zoetermeer is driekwart van de leerlingen meervoudig gehandicapt. Ook is een stijgend aantal leerlingen van allochtone komaf, variërend van 30 procent in Brabant tot 63 procent in Rotterdam.

Alle dovenscholen huldigen tegenwoordig het `tweetaligheidsprincipe'; daarbij is naast het gesproken Nederlands een belangrijke rol weggelegd voor de Nederlandse Gebarentaal. Knoors: ,,De balans tussen gebarentaal en gesproken taal is in de loop der tijd onder invloed van diverse externe factoren verschoven. Pas in het begin van de jaren tachtig werd, mede onder invloed van het maximale bereik van de hoortoestellen, gebarentaal weer belangrijker. Nu zien we dat dankzij de mogelijkheden van het cochleaire implantaat, een operatief ingebrachte elektronische binnenoorprothese, de aandacht voor gesproken taal weer meer terrein wint. Daarbij komt, niet alle ouders zien gebarentaal zitten'', is de ervaring van Knoors. Daarom biedt Sint-Michielsgestel ook een strikt orale school, waar dus alleen gesproken taal wordt gebezigd.

Voor Evert daarentegen wordt alles wat zijn docent op het `gewone' Stedelijk College vertelt in gebarentaal vertaald – en als Evert geluk heeft ook de grapjes die achter in de klas worden gemaakt. Hij heeft het naar zijn zin op het Stedelijk College, dat nauw samenwerkt met doveninstituut Effatha. Dove leerlingen kunnen een deel van de lessen op Effatha volgen en een deel op het Stedelijk College. Een tolk is wel onontbeerlijk voor dove leerlingen op een reguliere school. Tegelijkertijd is het ook de zwakke schakel in het geheel. Niet alleen vanwege het geregel – ouders moeten zelf een tolk aanvragen voor hun kind – maar vooral vanwege het enorme tekort aan tolken. ,,Dat is echt een knelpunt'', vertelt Petra Oostdam, die vanuit Effatha kinderen in het regulier onderwijs begeleidt. Is er geen tolk beschikbaar, dan kan Oostdam nog proberen een `communicatieassistent' te vinden: een moeder die gebarentaal kent, een docent van Effatha die een tussenuur heeft of een tolk-in-opleiding.

Voor de begeleiding van kinderen op de basisschool krijgen Oostdam en haar Effatha-collega's elk wekelijks 420 minuten, en voor leerlingen in het voorgezet onderwijs 193 minuten, inclusief reistijd. In die tijd moeten zij al het `regelwerk' doen, maar ook en vooral praten met de kinderen. ,,Cognitief kunnen ze het vaak wel aan, maar het is aan ons om te achterhalen of ze wel lekker in hun vel zitten'', zegt Theresia de Groot. Zij begeleidt Teun en Jennifer (beiden 12) die, na acht jaar lang opgegroeid te zijn in de beschermde omgeving van de basisschool van Effatha, nu in de brugklas van het Stedelijk College zitten. Als Teun met klasgenoten wil praten doet hij dat via de tolk, vertelt hij. In de pauzes probeert hij het zelf. En als het niet lukt? ,,Dan schrijf ik het op.''

Jennifer en Teun voelen zich niet eenzaam op school. Zeggen ze. ,,Ze hebben elkaar'', benadrukt De Groot later. Maar vooral voor leerlingen die na het Effatha-vmbo naar het mbo gaan blijkt eenzaamheid wel een probleem. ,,Na de eerste weken blijven ze vaak vrij alleen achter en zijn ze afhankelijk van twee, drie leerlingen om hen heen die zich om hen bekommeren'', weet begeleider Gerrit de Boer. Aan de andere kant vergroot de integratie van doven in het regulier onderwijs de mogelijkheden van de dove kinderen. Veel dovenscholen leiden niet hoger op dan vbo en mavo en met de afname van het aantal leerlingen is de verwachting dat het aanbod alleen maar verder zal verschralen.

Niet alleen de dovenscholen moeten wennen aan hun nieuwe rol, ook voor de reguliere scholen geldt dat. Zo zijn Nederlands en, afhankelijk van het schooltype, één of meer vreemde talen ook voor dove leerlingen verplicht, inclusief de luistertoets. Voor iedere leerling moet er overleg met de onderwijsinspectie gevoerd worden over het al dan niet verkrijgen van dispensatie. En als een dove leerling aankaart dat hij de luistertoets niet kán doen, is de reactie nog wel eens: ,,Dan neem je het bandje toch mee naar huis.''