Kunstbeleid komt om in pretenties

Voor de overheid is een actieve rol weggelegd in het cultuurbeleid, aldus Femke Halsema en Paul Rosenmöller. Cultuurparticipatie moet de trend van oprukkende, commerciële vrijetijdsindustrie keren. Volgens Jaap de Hoop Scheffer en Marry Visser-Van Doorn moet kunstbeleid het daarentegen juist niet hebben van maakbaarheidspretenties. Van belang is vooral dat het cultuurgoed in zijn regionale diversiteit wordt gekoesterd en behouden.

Het Nederlandse cultuurbeleid vertoont veel trekken van verstarring. Er worden misschien wel in geen enkele andere beleidssector zoveel en zo vaak stereotypen opgediend als legitimatie voor beleid. Zo kan het zijn dat Hans Dijkstal en Atzo Nicolaï voorzien ,,dat in een tijd van individualisering en ontkerkelijking de behoefte aan gezamenlijke culturele ervaringen juist (zal) toenemen. Nu de maatschappij sneller en jachtiger wordt, kan het belang van de verdieping en reflectie die cultuur kan bieden groeien''. Is de VVD niet die partij die op alle fronten individualisering en zelfbeschikking bevordert? En moet de kunst dan nu als maïzena in de samenleving gaan functioneren? De kunst als panacee.

De clichés en stereotypen die met het grootste gemak opgediend worden zijn het grootste obstakel voor een goed kunst- en cultuurbeleid. Veel politici maken zich schuldig aan dit soort hoogdravende algemeenheden. Veel gehoord is dat het kunst- en cultuurbeleid ,,er voor iedereen is''. Maar al jaren blijkt uit onderzoeken dat vooral de hoger opgeleide en goed verdienende elite profiteert van het belastinggeld dat aan kunst en cultuur wordt besteed. De smaak van de hoogopgeleide elite is de norm. Amateurkunst, fanfaremuziek of operette worden waargenomen als minder waard.

Er is onmiskenbaar een sterke gerichtheid op de Randstad. Als men dan kijkt welke cultuurspreiding echt succes heeft gehad dan moet de naam genoemd worden van Joop van den Ende die een echte Nederlandse musicaltraditie heeft gevestigd. Het door hem opgerichte Van den Ende fonds gaat nu ook andere kunstvormen steunen. Heel interessante ontwikkeling, maar de overheid had daar weinig mee te maken.

Een ander cliché luidt dat kunst ,,mooi, goed en heilzaam is''. Dijkstal en Nicolaï zien kunst niet alleen als de maïzena voor de uiteenvallende samenleving. Zij beginnen hun artikel met op te komen voor bedreigde waarden als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van artistieke expressie. In één adem worden daarbij de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van wetenschap genoemd. Het is makkelijk om dat te zeggen, maar de praktijk is vaak veel ingewikkelder. Zie de discussie rondom de imam van Rotterdam.

De godsdienstvrijheid bestaat omdat godsdienst fundamentele keuzes van mensen raakt. Over die verschillende keuzes moet – natuurlijk binnen de grenzen van de geldende wet- en regelgeving – een open maatschappelijk debat kunnen plaatsvinden. De positie van kunst vertoont wat dat betreft overeenkomsten met de positie van godsdienst in onze samenleving. De overheid moet pas in beeld komen waar het algemeen belang en het publieke domein aan de orde is. Stimulerend waar het pluriformiteit betreft, remmend waar in het publieke domein morele grenzen worden overschreden. Neem de discussie over de rol van kinderen in naaktfotografie. Ook al heeft vrijwel alle kunst een morele dimensie, kunstkritieken in kranten gaan zelden over de morele dimensie van kunst. Kunst moet vertederen en esthetisch beroeren.

Een ander sterotyp is dat kunst- en cultuurbeleid het gedrag van mensen zal kunnen veranderen. In het openingsartikel van deze serie leggen Van den Broek en De Haan de politiek drie scenario's voor en stellen dat beleidsmakers voor de uitdaging staan ,,om het door hen gewenste scenario te bevorderen en onwenselijke secenario's tot self-denying prophecies te maken''. Op een vreemde manier is het maakbaarheidsideaal in deze sector onaangetast. De intenties van beleid tellen, niet de resultaten. Tekenend is het dat wanneer onderzoekers van het Sociaal en Cultureel Planbureau stellen dat het beleid om meer mensen aan de kunst te laten deelnemen niet slaagt, die constatering door politici wordt ontkend. Thom de Graaf voorspelt zelfs dat ,,ons land eerder aan het begin van een bloeiperiode in de kunst staat''. Daarbij worden dan voorbeelden genoemd als de creaties van Viktor en Rolf en de successen van Rem Koolhaas. Maar hij wil toch niet beweren dat die successen zijn behaald dankzij het subsidiebeleid? Veel successen in de culturele sector zijn te danken aan krachtige creatieve persoonlijkheden. Als die er niet zijn zal er weinig gebeuren.

De breed gedeelde cliché-opvattingen moeten eens worden opgeschud. De overheid moet haar eigen beperking zien in het willen benutten van cultuurbeleid om daarmee de samenleving te veranderen. Cultuurbeleid is geen minderhedenbeleid. Cultuurbeleid moet vooral die cultuur ondersteunen die vanuit de doelstellingen pluriformiteit en vernieuwing interessant maar kwetsbaar is. Het vermogen verbindingen te leggen met de maatschappij, participatie en het publieksbereik, is daarbij slechts een onderliggend criterium. Het mag de kwaliteit en ontwikkeling van cultuur niet in het gedrang brengen. Er valt een vergelijking te trekken met het mediabeleid. In de commercie tellen de kijkcijfers en het ondernemerschap. De overheid moet hier de discussie aandurven over morele grenzen en normen, maar niet de pretentie hebben te kunnen concurreren en daarmee mensen te sturen.

Het waarborgen van aanbod in en voor de regio is voor ons een belangrijk criterium als het gaat om de pluriformiteit. Nu ligt de focus nog teveel op de Randstad. Binnen een verder integrerend Europa is het van belang ons eigen cultuurgoed in zijn regionale diversiteit te koesteren en te behouden. Veelzeggend was de wijze waarop in de Cultuurnota voorbij werd gegaan aan de opgestelde regioprofielen en slechts zeventien procent van het cultuurbudget aan de regio was toegedacht.

Daarnaast dient het een rijkstaak te zijn mee te financieren in de informatievoorziening over culturele activiteiten, omdat bij het merendeel van de lokale en regionale overheden en scholen dit veel minder van oudsher geworteld is, dan bijvoorbeeld in de grote steden.

Om deze ideeën tot hun recht te laten komen moet het debat over het inhoud geven aan de pluriformiteit niet na maar voor het advies van de Raad van Cultuur in de Tweede Kamer plaatsvinden. We moeten een visie op het bestel en de sectoren ontwikkelen waaraan vervolgens een financieel beleid voor de lange termijn kan worden gekoppeld. Daarbij zouden eenmaal in de vier jaar tussentijdse evaluaties van de instellingen en hun prestaties moeten plaatsvinden. Abrupte subsidiebeëindigingen behoren zo tot het verleden.

Wij kiezen voor een grotere betrokkenheid van regionale overheden, een onafhankelijke beoordeling, tussentijdse evaluatiemogelijkheid van instellingen en een balans tussen continuïteit en vernieuwing. Een praktische aanpak zonder grote woorden of `maakbaarheidspretenties' die cultuurbeleid nooit zal kunnen waarmaken. Daarvoor is een bredere revitalisering van debatten over mens- en maatschappijvisie in de politiek nodig.

Jaap de Hoop Scheffer is lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter van het CDA. Marry Visser-Van Doorn is woordvoerder cultuur van dezelfde fractie. Over cultuur en beleid wordt morgenmiddag in de Brakke Grond in Amsterdam een debat gehouden. Eerdere bijdragen van politici over dit onderwerp verschenen op 10, 17, 26 en 31 mei.

Lezers kunnen een bijdrage leveren via internet:

kunstvoorwie@tegenspraak.nrc.nl