Kunst is hèt middel tegen afstomping

Voor de overheid is een actieve rol weggelegd in het cultuurbeleid, aldus Femke Halsema en Paul Rosenmöller. Cultuurparticipatie moet de trend van oprukkende, commerciële vrijetijdsindustrie keren. Volgens Jaap de Hoop Scheffer en Marry Visser-Van Doorn moet kunstbeleid het daarentegen juist niet hebben van maakbaarheidspretenties. Van belang is vooral dat het cultuurgoed in zijn regionale diversiteit wordt gekoesterd en behouden.

Veel mensen kennen de ervaring van `het boek mee met met vakantie'. Na de maanden van terreur van te hard werken, verplichtingen en dagelijkse, opslokkende trivialiteiten, is er de rust van een stoel in de zon en het boek dat lang op het nachtkastje heeft liggen wachten. Je begint te lezen, eerst moeizaam en plichtmatig, geleidelijk meer gefascineerd en tot slot hoofdschuddend omdat je het boek het afgelopen jaar hebt laten liggen.

Je horizon verwijdt zich, nieuwe inzichten dringen door, enkele zinnen blijken een sleutel te bevatten die ook in het dagelijkse werk behulpzaam waren geweest, als je tenminste het voornemen van vorig jaar was nagekomen. Je neemt je voor om het komende jaar telkens literatuur te lezen, in de trein, in bed en tussen de bedrijvigheden door. Om na een jaar hetzelfde ritueel van ontdekking en spijt te herhalen.

Uit een recent onderzoek van het bureau Motivaction blijkt dat de gemiddelde Nederlander zich geteisterd voelt door een gebrek aan vrije tijd. De schaarse tijd die men heeft wordt het liefst doorgebracht in huiselijke kring of door te vluchten in de gemakkelijke wereld van vermaak.

Dit verklaart wellicht waarom de forse stijging van het onderwijsniveau, sinds de jaren zeventig, niet gepaard is gegaan met een gelijkhoudende tred van het cultuurbereik. In deze krant van 10 mei beschreven Van den Broek en De Haan aan de hand van door hen gedaan onderzoek, dat het telkens groter wordende, potentiële cultuurpubliek andere vormen van vrijetijdsbesteding verkiest boven deelname aan de kunsten. Met name de commerciële aanbieders van vrijetijdsdiensten, gericht op kortstondige kicks, effectbejag en spektakel, winnen het van de traditionele kunstinstellingen, zoals musea en theater.

In een samenleving waarvoor bijna nergens tijd is, lijkt escapisme een logische reactie, ook als het gemiddelde opleidingsniveau stijgt en het kunstaanbod groter wordt. Kunstparticipatie vereist rust, aandacht en concentratie. En daar is, volgens de cijfers, telkens minder tijd voor.

Volgens de onderzoekers Van den Broek en de Haan, is het realistisch om te verwachten dat de culturele sector de komende jaren marginaliseert ten gunste van de oprukkende commerciële vrijetijdsindustrie. Waar kunstinstellingen middelen ontberen om zichzelf gelijkwaardig onder de aandacht te brengen, dreigen ze, behalve bij een kleine schare cultureel ingewijden, geleidelijk uit het blikveld te verdwijnen.

Dat is kwalijk. Niet `omdat het moet', zoals de TROS kunst aanlokkelijk aanprijst, maar omdat kunst en cultuur mensen in staat stellen de wereld, hun omgeving en zichzelf beter te begrijpen. Zeker in een tijdsgewricht waarin welvaartsvermeerdering en consumptiedrang de meeste mensen elke dag dwingen om meer te verdienen en sneller te consumeren, zijn immateriële waarden als schoonheid, verbeelding en overpeinzing broodnodig. Zoals wetenschappers de handreikingen doen om dagelijkse patronen cognitief te begrijpen en te veranderen, zo kunnen kunstenaars een alternatieve werkelijkheid aanreiken waarin nu juist die waarden centraal staan. Maar dan moeten ze wel worden opgezocht. Dan is van groot belang dat de neergaande spiraal van de oprukkende, commerciële vrijetijdsindustrie wordt gekeerd ten gunste van cultuurparticipatie.

Het spreekt voor zich dat dit niet alleen kan worden overgelaten aan de culturele instellingen die met schaarse middelen trachten te overleven. Als een tekort aan vrije tijd inderdaad op termijn kan leiden tot marginalisering van de kunsten, dan dienen oplossingen zich ook allereerst daar op te richten. Een cultuurpolitiek waarin de verhouding tussen arbeid en vrije tijd opnieuw wordt geijkt, waarin politici zich inzetten voor een publieke ruimte die weerbaar is tegen de alsmaar oprukkende commercie, is zo'n oplossing.

Zo opgevat bevat cultuurpolitiek in ieder geval vijf elementen. Als eerste moeten toeschouwers, burgers en consumenten in staat worden gesteld hun vrije tijd anders te besteden. Dat betekent dat de mogelijkheden worden geschapen voor `onthaasting': voor een betere verdeling van arbeid, zorg en vrije tijd. Zo lang arbeid topsport blijft, vaders en moeders daar tussendoor nog een zorgplicht hebben te vervullen, kan nauwelijks verwacht worden dat er nog lucht is voor dat goede boek of die mooie tentoonstelling.

Ten tweede dient de overheid het publieke domein toegankelijker te maken en tegelijkertijd beter te beschermen tegen commerciële belangen. De publieke omroep moet minder afhankelijk worden van reclame en van de terreur van de kijkcijfers. Nieuwe media moeten financieel worden gestimuleerd om `publieke en culturele content' te produceren en bioscopen, filmdistributeurs en omroepen moeten worden aangemoedigd (in plaats van ontmoedigd) om de kleine kunstzinnige film en om documentaires te verspreiden en te vertonen. In de openbare ruimte moet de aanwezigheid van commercie door overdadige reclame worden ontmoedigd ten gunste van bijvoorbeeld kunst.

De `broedplaatsen' die vrijwel alle grote steden kennen en die een vrijhaven zijn voor beginnende kunstenaars en kunstliefhebbers, moeten worden beschermd. Het beleid van veel gemeenten om de broedplaatsen te verwijderen uit de stadscentra en te herplaatsen in geselecteerde locaties in het buitengebied, miskent dat stadsleven, tegencultuur en de bloei van kunst onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.

Ten derde is cultuureducatie van groot belang teneinde jonge generaties in aanraking te brengen met kunst en cultuur. Tegelijkertijd zou het een illusie zijn te menen dat een uurtje `kunstles' per week de animo vergroot als het onderwijs tegelijkertijd verzakelijkt en de vakken die niet arbeidsmarktgericht zijn maar wel culturele bagage verschaffen, worden geschrapt. Even belangrijk als cultuureducatie is dat kinderen worden geschoold in een cultureel klimaat waarin niet alleen `werk, werk, werk', maar ook andere waarden heersen.

Voorts dienen de culturele instellingen te worden versterkt om kwaliteit te leveren en autonomie te kunnen behouden en, daarnaast, zichzelf te kunnen bekwamen in het `verkopen' van hun voorstellingen en tentoonstellingen aan potentieel publiek. Daartoe moeten, om te beginnen, de middelen voor kunst en cultuur worden verhoogd tot 1 procent van de rijksbegroting. Ook moeten middelen worden vrijgemaakt om de arbeidsvoorwaarden, de opleidingen en bijscholingsmogelijkheden van kunstenaars te verbeteren. Het is van groot belang dat de sociaal-economische zelfstandigheid van kunstenaars wordt gewaarborgd, zodat zij autonoom van markt en overheid kunnen functioneren. In een snel veranderende, commercieel wordende samenleving geven kunstenaars waarschuwingssignalen af en kunnen zij cultuurkritiek formuleren.

Niet voor niets heeft de schrijver Kurt Vonnegut de kunstenaar ooit vergeleken met de kanariepietjes die door mijnwerkers werden meegenomen de mijnschachten in: als de zuurstof in de schacht vermindert, gaan de kanaries als eerste op hun rug liggen. Als de metafoor serieus wordt genomen dan zijn kunstenaars en de kunst die zij maken, in onze zuurstofarme samenleving kwetsbaar. Tegelijkertijd zijn zij onmisbaar om ons te waarschuwen voordat we echt kortademig worden.

Femke Halsema en Paul Rosenmöller zijn lid van de Tweede Kamer en zijn respectievelijk lid en fractievoorzitter van de fractie van GroenLinks.