Keuringsarts vriendelijk voor WAO'er

Het WAO-drama waarover de commissie-Donner vorige week adviseerde, kent enkele hoofdrolspelers: keuringsartsen, bedrijven, overheidsbureaucratie, rechters, en niet te vergeten de werknemer zelf. Wat is hun rol en zal uitvoering van het advies-Donner daar iets aan veranderen? Vandaag deel 1 van een serie: de keuringsarts.

De moderne WAO'er in spe legt demonstratief een mobieltje op tafel en dreigt bij het minste of geringste zijn advocaat te bellen. Of hij heeft zijn advocaat maar gewoon meegenomen. Diens lichaamstaal spreekt boekdelen: ik stap naar de rechter als u mijn cliënt niet afkeurt. Wat doe je dan als keuringsarts? ,,Wij zijn ook maar mensen die bij voorkeur conflictmijdend gedrag vertonen'', zegt Janet Hoevers.

Ze worden keuringsartsen genoemd, maar zelf houden ze het liever op verzekeringsarts. ,,Een keuringsarts doet zo aan de keuring van koeien denken'', zegt Simon Knepper, verzekeringsarts en verbonden aan het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen.

De artsen worden vaak gezien als een van de hoofdrolspelers van het WAO-drama: de groei van het aantal arbeidsongeschikten richting een miljoen. De commissie-Donner presenteerde vorige week een plan om de WAO-instroom drastisch te beperken.

De verzekeringsartsen verrichten na één jaar ziekte de WAO-keuring van de werknemer, die negen van de tien keer wil dat hij wordt afgekeurd of in een zo hoog mogelijke schaal van arbeidsongeschiktheid komt. Dat het daarna heel moeilijk is om met het WAO-stempel weer aan het werk te komen, beseffen volgens Hoevers en Knepper maar weinig werknemers.

Als een verzekeringsarts een onjuiste beslissing neemt, kost dat de samenleving gemiddeld zes ton per keer. Ze beslissen over honderden miljoenen guldens per jaar. En regelmatig is er kritiek dat ze te gemakkelijk mensen afkeuren. Kritiek van de staatssecretaris bijvoorbeeld of van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV). In een onderzoek stelde het CTSV vorig jaar dat de kwaliteit van de keuringen sterk te wensen overlaat. Zo winnen de verzekeringsartsen nauwelijks informatie in van bedrijfsartsen of van behandelende artsen. Bedrijfsartsen weten na één jaar van begeleiding in het dossier vaak niet meer te melden dan: code P 109, oftewel `overspannen'. Dat is dan het enige dat de verzekeringsarts weet voor hij aan de keuring begint. Vervolgens gaat hij geheel af op een gesprek van gemiddeld circa een half uur met de zieke werknemer.

Maar zijn verzekeringsartsen ook hoofdschuldige van het WAO-drama? Voorzitter Bernard Starink van de Nederlandse Vereniging van Verzekeringsgeneeskunde vindt van niet. ,,Het CTSV heeft incidenten tot structuur verheven. Over het algemeen werken we heel zorgvuldig'', zegt hij. Verzekeringsarts Knepper wil eerst niet op de vraag ingaan. ,,Het kenmerk van de WAO is dat iedereen de schuld aan iemand anders geeft.'' Maar dan: ,,Verzekeringsartsen zijn erg geneigd om een WAO-uitkering toe te kennen.''

Dat doen ze soms uit medelijden en het zal ook voorkomen dat ze zich onder druk gezet voelen door een cliënt. Maar de algemene opinie in de beroepsgroep is dat het in de eerste plaats ligt aan `de uitvoeringspraktijk'. Knepper: ,,De uitvoeringspraktijk is zo ingericht dat WAO toekennen makkelijk is en afwijzen moeilijk.'' Hoevers: ,,Verzekeringsartsen worden van geen enkele kant gesteund als ze iemand een WAO-uitkering onthouden.''

De ongeveer duizend verzekeringsartsen zijn in meerderheid in dienst bij die `uitvoeringspraktijk'': instellingen zoals GAK of Cadans. Er is een tekort van zeker 150 verzekeringsartsen en daardoor zijn er grote achterstanden. Zij moeten dus `productie draaien'. De uitvoeringsinstellingen worden `afgerekend' op de tijdigheid, niet op het resultaat van de keuringen.

Als het plan-Donner wordt ingevoerd, dan wordt WAO dan alleen toegekend als er sprake is van ,,een onvermijdelijk verlies van arbeidsgeschiktheid, ,,duurzame beperkingen'' en ,,een volledig verlies van arbeidscapaciteit''.

De druk van werknemers op verzekeringsartsen om tot deze WAO-regeling te worden toegelaten zal nog groter worden als hij al is, zo is de verwachting. Want wie niet volledig wordt afgekeurd, wacht de (lagere) WW en later de bijstand. ,,Dan moeten wij wel weten wat volledige WAO precies inhoudt'', zegt Starink van de Nederlandse Vereniging van Verzekeringsgeneeskunde. Hij vindt dat het rapport-Donner hier niet erg duidelijk over is. ,,Bij Donner krijgt de diagnose van een ziekte grote betekenis. Maar dat doet geen recht aan de verschillende manieren waarop mensen met hun ziekte omgaan.'' Daarmee geeft hij de moeilijkheid van zijn vak aan: de ene persoon met een versleten rug kan nog heel goed werken, de andere niet. Of, zoals Knepper zegt: ,,Medische arbeidsongeschiktheid bestaat niet. Alleen van iemand in coma kan je met zekerheid zeggen dat die niet kan werken.''

Knepper is het niet eens met de kritiek dat Donner te vaag blijft, maar hij was dan ook zelf betrokken bij de formulering van de criteria. Juist niet de ziekte, maar de resterende mogelijkheden die een patient heeft om juist wel te werken zullen centraal gaan staan, bijvoorbeeld aan de hand van fitnesstrainingen en gedetailleerd materiaal dat bedrijfsartsen moeten aanleveren. Dat vergt wel meer tijd voor de keuring. Voormalig minister Veldkamp, die in 1967 aan de wieg stond van de WAO, zei het destijds al: een keuring zou best meer dan een dag mogen duren.

Als het rapport-Donner, dat ook langer keuringsonderzoek bepleit, wordt ingevoerd zal het werk van de verzekeringsarts belangrijker èn interessanter kunnen worden, verwacht Knepper. ,,Het wordt dan minder routinematig.'' Dat heeft de beroepsgroep wel nodig, want de verzekeringsarts staat in de medische wereld in laag aanzien. Zijn collega Hoevers: ,,We zijn nu de laagste vorm van kruipend leven.''

DE STEMMING www.nrc.nl/denhaag