Julia Kristeva en de gekke milkshake

Er zit een interessante sociologische studie in het verschil tussen Nederlandse en Vlaamse kunsttijdschriften. Ze gaan over hetzelfde onderwerp, behandelen dezelfde kunstenaars, maar toch zijn het Nederlandse Metropolis M en het Belgische De Witte Raaf nauwelijks te vergelijken. De Belgen schrijven vaak academisch, met een voorkeur voor theorie en relateren de kunst het liefst aan filosofie – lekker Kristeva en Deleuze citeren. In Nederland is van die traditie, sinds het verscheiden van Museumjournaal, niet veel meer over. Metropolis M is een stuk losser, journalistieker en geschreven met meer aandacht voor de lezer die niet in het jargon is ingevoerd. Daartussen is er eigenlijk niet veel.

Reden genoeg om nieuwsgierig te zijn naar A-Prior, een blad dat net een jaar bestaat en aan zijn vijfde nummer toe is. A-Prior wordt uitgegeven in België, maar heeft ook redelijk wat Nederlandse medewerkers. Het ziet er bovendien aantrekkelijker uit dan De Witte Raaf, maar dat kan komen doordat dit nummer voor een groot deel over kleur gaat. Dat heeft weer te maken met de opzet van A-Prior: geen verzameling losse stukken, soms verbonden door een thema, maar dossiers, waarin een beperkt aantal kunstenaars meerdere artikelen krijgt toebedeeld.

In dit nummer is de Nederlandse kunstenares Fransje Killaars de hoofdgast. Geen makkelijk onderwerp, want Killaars streeft ernaar werk te maken over zuivere kleur. Ze neemt felgekleurde stoffen, vaak geverfd of gekocht in India, en drapeert die in lagen over wanden, muren of bedden. Daardoor zien Killaars' installaties er altijd feestelijk uit, maar waar het vervolgens over gaat, is minder duidelijk.

Ook de drie A-Prior-auteurs komen daar niet helemaal uit. Ze plaatsen Killaars in de traditie van vrouwenkunst (of halen haar daar eigenlijk weer uit) en vergelijken haar werk met dat van de Braziliaanse kunstenaars Lygia Clark en Helio Oiticica. Als context bij Killaars' werk voegt dat zeker wat toe, maar over de inhoud ervan word je nog steeds niet veel wijzer. Dat uiteindelijk Julia Kristeva er weer wordt bijgehaald, is ook al geen best teken.

Zo gaat het vaker in dit nummer. De aanzetten zijn goed, er worden serieuze pogingen tot leesbare kunstessayistiek gedaan, maar het lukt de auteurs niet zich van het traditionele kunstidioom los te maken. Daar komt bij dat niet altijd duidelijk is waarom de diverse kunstenaars worden uitverkoren. Veel van de kunstenaars in dit nummer (Manon de Boer, Maria Clara Villa-Lobos, Gauthier Hubert) zijn zo onbekend dat het me sterk lijkt dat veel A-Prior lezers ze al kennen, laat staan dat hun status meteen meerdere stukken of een portfolio rechtvaardigt.

Gelukkig heeft A-Prior ook het lef om meer dan dertig pagina's lang de ruimte te geven aan Chiko & Toko, een Japanse kunstenaarsduo dat zich heeft gespecialiseerd in het organiseren van kinderactiviteiten in musea. Hun project in A-Prior is een klein tijdschrift op zichzelf, waarin in felle kleuren onder andere een Mars-reis van het duo wordt beschreven, en foto's zijn te zien van de kinderkookcafés die ze in musea organiseren, inclusief het recept van de Crazy Pink!-milkshake. De redactie waagt zich maar niet aan een analyse.

A-Prior, nr. 5. lente/zomer 2001, 320 blz. In Nederland geïmporteerd door Idea books, Amsterdam. Prijs f 22,50.