Johnny and Jones

Het joodse zangduo Johnny and Jones – over wie morgen een opera van Theo Loevendie in première gaat – stierf in het voorjaar van 1945 in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Als ze hun naderende einde voorvoeld hebben, hebben ze daar in hun liedjes niets van laten merken. Sommige van die liedjes zijn, achteraf bezien, bijna obsceen van blijmoedigheid.

In augustus 1944 namen ze onder meer de Westerbork Serenade op. Ze zaten toen al zelf gevangen in Westerbork, maar ze hadden vermoedelijk verlof gekregen voor opnamen in Amsterdam. Gezellig swingend zingen ze: ,,Ik zing mijn Westerbork-serenade/ Langs het spoorwegbaantje/ Schijnt het zilv'ren maantje/ Op de heide/ Mit einer schönen Dame/ Wandelend tesamen/ Zij aan zijde/ En mijn hart brandt/ Als de ketel in het ketelhuis/ Zo had ik het nooit te pakken/ Bij mij moeder thuis/ Ik zing mijn Westerbork-serenade/ Tussen de barakken/ Kreeg ik het te pakken/ Op de hei/ Diese Westerbork-Liebelei.''

In het nummer Wij sloopen met muziek bezingen ze hun dwangarbeid in Westerbork als volgt: ,,Als wij beginnen te zingen/ Gaan de schroeven en de bouten swingen.''

Ik hoorde die liedjes deze week voor het eerst dankzij de onlangs uitgebrachte cd Maak het donker in het donker met een aantal tot dusver onbekende opnamen van Johnny and Jones. Wat heeft Nol van Wesel (`Johnny') en Max Kannewasser (`Jones') bezield om deze opnamen te maken? Een vraag die dezer dagen vaak wordt gesteld. Was het naïviteit, joodse humor, meegaandheid, galgenhumor of de bezwering van angst wat trouwens ook een functie van galgenhumor is?

Naïviteit kan ik me nauwelijks voorstellen. Johnny and Jones waren vanaf 9 oktober 1943 in Westerbork, ze moeten er voldoende misère hebben meegemaakt om te beseffen dat hun teksten absurd waren. Maar er was ook in Westerbork, juist in Westerbork, behoefte aan entertainment, en wat kan een geboren entertainer in barre tijden beter doen dan entertainen? Dat zal hun drijfveer zijn geweest.

Verhelderend is in dit opzicht In Dépôt, het dagboek van Philip Mechanicus uit Westerbork. Hij noteert op zondag 5 december 1943: ,,In alle barakken in het kamp opgewekt Sinterklaas gevierd. Vond vanmorgen aan het hoofdeinde van mijn bed een pakje met een dikke M van amandelpers met chocoladestrooisel, vergezeld van rijmpjes en een tedere brief van mijn beste vriendin. Aandoenlijk van tederheid. In barak 85 (de Barnevelders), barak 73 (de gedoopten) en 67 (de gestraften) is Sinterklaas het best en drukst gevierd. In 85 deelde Sinterklaas mee, dat de reis dit jaar zeer zwaar was geweest, dat het moeilijk was geweest door de schoorsteen te komen en hij zei te vrezen, dat het nog moeilijker was eruit te komen.''

Op zo'n Sinterklaasfeest zouden Johnny and Jones best dat andere ondeugende liedje over hun dwangarbeid hebben kunnen zingen: ,,Floep zijn mijn stamper/ En daar ging ie weer/ En dat was toch/ Voor de eerste keer.''