Het blijft vaak eenzaam

Relatief veel doven kampen met psychische problemen. Dat komt door de stress van de dagelijkse communicatie, maar ook vaak door de internaatsachtergrond.

HET IS VAAK FRUSTREREND om als dove op te groeien in een horende wereld. Horenden begrijpen doven vaak niet; beschouwen hen als gehandicapt, achterlijk soms; weten meestal niet hoe ze met hen moeten communiceren en verwachten dat ze gewoon meedoen in een wereld die op gesproken taal is ingesteld. Zulke alledaagse problemen kunnen een hoop stress opleveren.

Maar dat doven vaker in psychische moeilijkheden raken dan horenden, komt niet alleen daardoor. Er komt bijvoorbeeld bij dat de doven die nu volwassen zijn, in het algemeen zijn opgegroeid op doveninternaten. ,,En daar hoeft nog niet eens iets traumatisch gebeurd te zijn'', zegt psychiater Ines Sleeboom-Van Raaij, hoofd van de Visuele Interactie Afdeling (VIA), de dovenafdeling van de Robert Fleury Stichting, een psychiatrische kliniek in Leidschendam. ,,Het is op zich al vreselijk om op driejarige leeftijd uit je ouderlijk gezin gerukt te worden en in een internaat neergezet – en niemand die het je kan uitleggen.'' Want 95 procent van de dove kinderen heeft horende ouders en vooral vroeger waren die niet erg bekwaam in gebarentaal.

Sterker nog: op de instituten dacht men tot een jaar of tien geleden nog (ten onrechte) dat het slecht was voor de ontwikkeling van doven om gebarentaal te leren – dan zouden ze nooit normaal leren spreken. ,,We horen hier verhalen over het tapen van de duimen op de rug als iemand gebaarde, over zware straffen, mishandelingen zelfs'', vertelt Otto Fritschy, arts in de Riethorst, centrum voor geestelijke gezondheidszorg voor doven in Ede.

Bovendien kwam er veel seksueel misbruik voor op de internaten, vertellen de hulpverleners. ,,Zowel van de staf naar de kinderen toe als onderling'', aldus Fritschy. ,,Doven lopen sowieso een grotere kans om seksueel misbruikt te worden, ook thuis. Het is betrekkelijk veilig voor de dader; voor een doof kind is het moeilijk om aangifte te doen. In Amerika schijnt 50 procent van de dove jongens en meisjes ooit seksueel misbruikt te zijn en er is geen reden om te denken dat dat hier anders is.''

De traumatische erfenis van de internaatsopvoeding uit zich vaak in relatieproblemen. Logisch, zegt Fritschy. De relatie die een kind met de ouders heeft, staat tot op zekere hoogte model voor relaties in het latere leven, maar bij dove internaatskinderen is die hele ontwikkeling anders verlopen. ,,Ze hebben te maken gehad met steeds wisselende opvoeders, waarvan de kans ook nog bestond dat die hen misbruikt hadden. En terwijl horenden, tegen de tijd dat ze van school gaan, loskomen van hun ouderlijk nest, kwamen doven op dat moment juist terug in hun gezin. Waar ze ook nog eens dat speciale kind waren, dat `doofie'. Binnen een huwelijksrelatie is er vervolgens zó veel wat je zelf moet uitvinden. De kans dat dat misgaat is groot.'' Ze hebben gewoon niet geleerd hoe het is om normaal in een gezin te leven, bevestigt Sleeboom. ,,Dan willen ze later zelf een gezin stichten, en dan weten ze gewoon niet hoe dat moet.''

En depressies komen ook veel voor. ,,Onbegrepen depressies'', zegt Fritschy, ,,zowel door de dokters als door de doven zelf.'' Veel volwassen doven hebben geen woorden, gebaren, voor hun eigen gevoelens – alleen al doordat ze vroeger nooit echt gebarentaal hebben geleerd, maar dat stiekem van elkaar afkeken op het schoolplein. Bovendien loopt iemand die niet kan horen, gemakkelijk een achterstand op in zijn of haar ontwikkeling. ,,In praktisch, psychisch, emotioneel opzicht; in sociaal functioneren'', aldus Sleeboom. ,,Je hóórt immers gewoon niet hoe je ouders en andere mensen problemen oplossen, hoe ze allerlei dingen aanpakken, zoals een horend kind dat onder de tafel zit te spelen wel doet. Dat automatische leren ontbreekt.''

De strenge internaatstijd mag dan voorbij zijn – op scholen wordt nu gewoon gebarentaal als instructietaal gebruikt – maar de kans dat dove kinderen een ontwikkelingsachterstand oplopen blijft groot. Bovendien kunnen ze zich erg eenzaam voelen. En ze moeten de moeilijke keuze maken of ze bij de horende wereld of in de dovencultuur willen thuishoren, terwijl ze tegelijkertijd vaak erg afhankelijk zijn van hun (meestal horende) ouders. De huidige generatie dove kinderen heeft nog steeds drie tot vier keer zo vaak psychische hulp nodig als horenden, bleek uit onderzoek waarop Theo van Eldik in 1999 promoveerde aan de Erasmus Universiteit.

Dat de dovengemeenschap al met al een belangrijke doelgroep is voor de geestelijke gezondheidszorg, is duidelijk. En dat er dan zeer gespecialiseerde zorg nodig is, door mensen die met doven kunnen communiceren en iets afweten van de dovencultuur, ligt ook voor de hand. Toch is de psychische hulpverlening aan doven in Nederland pas tien jaar geleden van de grond gekomen. Een aanleiding was het overlijden van een dove jongen in een `gewoon' psychiatrisch ziekenhuis, begin jaren tachtig, die een kalmeringsmiddel kreeg toegediend waar hij overgevoelig voor was. Zijn keel zwol op zodat hij niet meer kon spreken. Toen hij dat duidelijk wilde maken aan de behandelende psychiater, dacht die dat de jongen niet kon praten omdat hij doof was. De jongen stikte. Daarna kwam onder meer de Nederlandse federatie van organisaties van ouders van dove kinderen in actie om specialistische hulp op poten te krijgen.

Inmiddels kent Nederland onder meer drie psychiatrische klinieken voor doven, vijf doven-Riaggs en verschillende instellingen voor maatschappelijk werk. Toch is het nog steeds onmogelijk om een gesprek te voeren met psychische hulpverleners in de dovenzorg zonder dat het woord `kinderschoenen' valt. De verlanglijst is nog lang: er zijn te weinig dove hulpverleners, er zijn vrijwel geen diagnostische vragenlijsten in gebarentaal vertaald, en allerlei soorten specialistische zorg waar voor horenden aparte instanties voor zijn, zoals drugshulpverlening, ontbreken volledig. Maar in elk geval zijn er nu mensen die dat beseffen.