Een kameel op het altaarstuk

In schilderijen is een putto doorgaans een naakt, gevleugeld miniatuurjongetje. Bijgevolg zijn de attributen die zo'n engelachtig wezen in de hand houdt, meestal ook van poppenhuisformaat. Zo zie je ze bijvoorbeeld in een altaarstuk van de 15de-eeuwse `Meester van het Bartholomeüsaltaar' in de tentoonstelling die het Wallraf-Richartz Museum in Keulen wijdt aan diens werk. Het centrale paneel van het drieluik (uit 1490-95) stelt de kruisiging van Christus voor, terwijl op elk van de zijluiken twee heiligen zijn afgebeeld. Op alledrie de panelen zweven groepjes speelse putti, voorzien van passiewerktuigen en wierookvaten. In een vitrine pal naast dit werk hangt een gouden miniatuurwierookvat. Oorspronkelijk zal het deel hebben uitgemaakt van een edelmetalen sculptuur. Maar in de tentoonstelling wordt het stilzwijgend gepresenteerd als een voorbeeld voor het liturgisch vaatwerk waarmee de geschilderde engeltjes zwaaien. Daarmee is het een voorbeeld van de soms overdreven gedetailleerde manier waarop deze expositie de historische en artistieke context beoogt te reconstrueren van de activiteit van de Meester van het Bartholomeüsaltaar.

De schilder, die opereerde op het snijvlak van middeleeuwen en renaissance, is een dankbaar onderwerp voor een dergelijke aanpak. Zijn werkelijke naam is onbekend en ook verder zijn over zijn persoon en loopbaan zijn maar heel weinig gegevens voorhanden. Hij is genoemd naar een altaarstuk, nu in de Alte Pinkothek te München, waarvan de centrale figuur de heilige Bartholomeüs voorstelt. Dat werk heeft ooit het uitgangspunt gevormd voor een reconstructie van een stilistisch samenhangend oeuvre. En op grond daarvan wordt weer verondersteld dat de meester afkomstig was uit de Nederlanden, mogelijk Utrecht of Arnhem, en dat hij daar zijn eerste opleiding heeft gehad. Zeker is dat hij zich in het laatste kwart van de 15de eeuw heeft gevestigd in Keulen en daar een aantal belangrijke opdrachten voor grote altaarstukken heeft gekregen. Er zijn nog maar weinig werken – panelen en een enkele boekillustratie – bekend van de Bartholomeüsmeester. De toegeschreven werken en de resultaten van samenwerking met andere kunstenaars of het atelier meegerekend, zijn het er zo'n 25. In de lijvige catalogus, die tegelijk een monografie over de meester en zijn tijd wil zijn, worden ze allemaal beschreven en afgebeeld, maar in de tentoonstelling is daarvan nog geen driekwart aanwezig. Dat is geen briljante maar ook geen heel slechte score, omdat het niet eenvoudig is de kwetsbare paneelschilderingen in bruikleen te krijgen.

Het werk waaraan hij zijn naam ontleent ontbreekt, maar wel is er een mooi drieluik met op het centrale paneel de ongelovige Thomas. Christus stopt diens hand bijna letterlijk in zijn zijwond om de twijfelende apostel te laten zien dat hij de gekruisigde en uit de dood verrezen heiland is. Ondanks het sereen glimlachende gezicht van Christus, de gouden achtergrond en de zwevende heiligen en engelen die de centrale groep omringen, ademt de scène toch een groot gevoel voor het naturalistische detail. Net als in veel van zijn andere werken, heeft de schilder in kraakheldere kleuren de figuren, hun gewaden en attributen nauwkeurig in verf gevangen.

In het Kruisigingaltaarstuk leidt die aandacht voor het detail tot een bijna komisch element. Kennelijk om er geen misverstand over te laten bestaan van de pels van welk dier het gewaad van de boetvaardige Johannes de Doper was gemaakt, heeft de meester de kop van een kameel aan de vacht vastgeschilderd.

In een poging de raadselachtige Meester van het Bartholomeüsaltaar te plaatsen in zijn tijd en artistieke omgeving, worden zijn schilderijen in de tentoonstelling omringd door werk van tijdgenoten, voorbeelden en navolgers. Niet altijd wordt uit de expositie zelf even duidelijk wat de onderlinge relaties zijn, maar het is interessant te zien hoe het werk van de meester aansluit bij mooie laatmiddeleeuwse boekilluminaties uit de Nederlanden, 15de-eeuwse houtsculptuur uit het Rijnland, of het schitterende, uit Zagreb geleende, altaarstuk met God de Vader die de gestorven Christus beweent, van de hand van de Hollandse `Meester van de Virgo inter virgines'.

De aanwezigheid van werk van Vlaamse schilders als Petrus Christus en Hans Memling laat vooral zien dat onze meester daar weinig mee van doen heeft – voor hem pakt de vergelijking ongunstig uit, want tegen de beheersing van de olieverftechniek en de emotionele kwaliteit van deze `primitieven' legt hij het af.

Nog verder van huis raken we bij curiosa als een 15de-eeuws harnas van het type dat een van de afgebeelde heiligen draagt, twee gouden kroontjes die heel in de verte doen denken aan de kroon die een geschilderde Madonna krijgt opgezet, en het miniatuurwierookvaatje voor putti.

Tentoonstelling: `Genie ohne Namen; der Meister des Bartholomäus-Altars'. T/m 20 aug. in Wallraf-Richartz Museum, Martinstrasse 39, Keulen. Catalogus (uitg. Dumont): DM 85,50. Inl.: 0049 221 22127694.