De democratische dictatuur Iran

In de Islamitische Republiek Iran worden morgen presidentsverkiezingen gehouden. Gedoodverfd winnaar is de huidige president, Mohammad Khatami. Zijn verdienste is dat er tegenwoordig in Iran een ontembare discussie woedt over democratie.

In Iran wordt het meest over democratie gediscussieerd van het hele Midden-Oosten. Turkije is volledig ingesuft en Israël heeft op dit moment wel iets anders aan het hoofd. En verder is het Midden-Oosten niet een gebied dat zich het hoofd breekt over democratie.

Maar in Iran woeden felle discussies over het onderwerp. Je hebt er de reactionaire ayatollah Mesbah-Yazdi, die vindt dat het in de Islamitische Republiek alleen gaat om God, de islam en de koran en dat het volk niets heeft in te brengen. Meeste stemmen gelden? Wie had er dan gelijk, is de retorische vraag van zijn aanhangers: Hussein, kleinzoon van de profeet Mohammed, toen hij in 680 met 70 volgelingen bij Kerbala ten strijde trok tegen een overmacht van 30.000 man, of de tegenpartij, die het getal aan haar zijde had? Aan de andere kant van het spectrum zijn er seculiere intellectuelen die totale scheiding van moskee en staat bepleiten. En er is elk standpunt ertussenin.

De discussie heeft heel wat uitgesproken pro-democraten in de gevangenis gebracht, want de rechterlijke macht is nog in handen van de anti-democraten. Zij heeft geleid tot de sluiting van tientallen kranten en een beroepsverbod voor de hoofdredacteuren. Er is geweld gebruikt tegen activisten. Maar dat weerhoudt niemand ervan de discussie met verve voort te zetten. Als men betoogt dat de eerste ambtsperiode van de hervormingsgezinde Iraanse president, hojatoleslam Mohammad Khatami, niets heeft opgeleverd, is dat onjuist. Want de voortgang van die discussie, waarin vele oude taboes zijn doorbroken, is de verdienste van Khatami, die zelf in voor- en tegenspoed het cruciale belang van democratische hervormingen voor Iran is blijven onderstrepen. ,,Ik beloof nooit te wijken voor geweldplegers'', zei hij gisteren aan het slot van zijn campagne voor een tweede ambtsperiode. ,,Godsdienst en vrijheid zijn niet in strijd met elkaar. Werkelijke religie is een bloem die gedijt in vrijheid.''

De Islamitische Republiek Iran is misschien het land dat in het Westen wel het minst in verband wordt gebracht met iets dat op democratie lijkt. Want een land waar mullahs aan de macht zijn, kan dat (min of meer) democratisch zijn?

Toch heeft Iran sinds het in 1979 als Islamitische Republiek werd geboren een grondwet die voorziet in verkiezingen onder algemeen kiesrecht voor een president, een parlement, en nog wat vertegenwoordigende lichamen. Het debat in het parlement is altijd heel levendig geweest, de politieke samenstelling geschakeerd; de Majlis is nooit de verzameling jaknikkers geweest die Irak of Egypte er bijvoorbeeld op nahouden.

Het probleem met Iran is echter de Opperste Leider, de Velayat-e-faqih, waarin de Iraanse grondwet óók voorziet. De Opperste Leider, een gezaghebbende geestelijke die voor onbepaalde termijn wordt benoemd door de wel gekozen Assemblée van Experts, is de gids van de natie, een soort vertegenwoordiger van God op aarde. Concreet heeft hij de controle over de veiligheidsdiensten, de rechterlijke macht en de staatsradio en -televisie. Hij is niet almachtig of onfeilbaar, maar hij kan zich er de facto wel op beroepen God achter zich te hebben, en dat maakt hem vrijwel onaantastbaar, de onbetwiste nummer één van het land.

Dit unieke systeem, geesteskind van de stichter van de Islamitische Republiek, imam Khomeiny, maakt Iran tot een democratische dictatuur, of een dictatoriale democratie. Het resultaat is een permanente machtsstrijd tussen de dictatoriale en de democratische poot van het regime, de Opperste Leider en de president. Van het begin af aan, ook toen de charismatische en gezaghebbende Khomeiny nog de Opperste Leider was. Maar des te meer sinds Khomeiny's opvolger, de kleurloze, conservatieve ayatollah Ali Khamenei, die niet veel meer doet dan angstig op de islamitische boedel te passen, vier jaar geleden te maken kreeg met een hervormingsgezinde president. Met zekerheid is te voorspellen dat deze machtsstrijd de komende vier jaar volop zal voortwoeden, en ook daarna, tot de Velayat-e-faqih wordt geschrapt. Maar daarvan is ook Khatami (voor zover bekend) geen voorstander.

Morgen worden in Iran presidentsverkiezingen gehouden, die door Khatami met ruime voorsprong zullen worden gewonnen. Niet omdat dit – zoals elders in het Midden-Oosten – zo wordt geregeld, maar omdat hij zo populair bij de jeugd blijft. Jeugd wil nu eenmaal meer vrijheid dan conservatieve ouderen denken dat goed voor hen is, en Khatami sympathiseert openlijk met haar verlangens. Opperste Leider Khamenei roept de jongeren op ,,zich onder te dompelen in gebed'', maar Khatami laat ze met een knipoog jong zijn. Iran is een heel jong land – bijna 70 procent van de inwoners is onder de 35 jaar oud en stemgerechtigd is iedereen vanaf 15 jaar oud – dus succes is verzekerd voor wie het hart van de jongeren heeft gewonnen.

Khatami heeft in zijn eerste ambtstermijn door de obstructie van de zijde van de Opperste Leider en diens conservatieve kliek en misschien ook zijn eigen voorzichtigheid niet heel veel meer gedaan dan de democratische discussie stimuleren. De economie blijft treurig. Maar hij is zo'n aardige man, zeggen de mensen, zo innemend; hij is zo eerlijk. Het is zijn schuld niet dat er niet heel veel is veranderd, het zijn de conservatieven die hem waar ze maar konden de voet dwars hebben gezet.

En er is niemand anders op wie Iraniërs die wat meer vrijheid willen, kunnen stemmen. Khatami moge niet veel hebben gebracht van wat hij beloofde, maar zijn negen tegenkandidaten van morgen, allen min of meer conservatief, zijn marginale figuren. Ze zijn er alleen maar met zovelen geselecteerd om wat van Khatami's voorsprong af te knabbelen, niet meer dan dat. De conservatieven hebben er dit keer van afgezien met een kandidaat van gewicht te komen. De vernietigende nederlaag die de officiële kandidaat van het conservatieve establishment, parlementsvoorzitter Nateq-Nuri, vier jaar geleden tegen Khatami leed, was een goede les. Zijn afgang kwam hard aan.

Het maakt eigenlijk niet uit met welke marge Khatami wordt herkozen, en hoe hoog de opkomst dit keer is. Al krijgt hij 100 procent van de stemmen bij een opkomst van 100 procent, dan nog zullen de conservatieven – van wie de harde kern bestaat uit geestelijken en zakenlieden – hem met alle middelen dwarszitten. Zij verdedigen immers niet alleen hun idee van de islamitische zedelijkheid, maar ook de financiële winst die bij de macht hoort. Het mandaat van het volk waarop Khatami zich de afgelopen vier jaar kon beroepen – 70 procent van de stemmen bij een opkomst van 89 procent – heeft zijn tegenstanders ook niet tegengehouden.

Minder stemmen en een lagere opkomst dan in 1997 maken evenmin veel verschil. Khatami heeft de afgelopen vier jaar consequent gehamerd op het belang van democratische hervormingen en de totstandkoming van de rechtsstaat, en dit ook in zijn verkiezingscampagne gedaan. ,,Onze reis naar democratie is onomkeerbaar. Er is geen terugweg'', zei hij vorige week. ,,De maatschappij heeft vrijheid nodig zoals ze lucht nodig heeft.'' Er is geen enkele aanwijzing dat hij die koers zal wijzigen.