Das à la carte

De stropdas verliest aan populariteit. De afgelopen twee jaar is de verkoop met bijna 20 procent gedaald. Toch is het opmerkelijk dat de das, in een tijdperk waarin we ons hebben ontdaan van knellende kleding, überhaupt nog bestaat. Herman Vuijsje en Riemer Reinsma schreven een boek over de strijd rond de stropdas. Hoe gaat de man van de 21ste eeuw om met het harnas van de werkvloer?

Er is iets aan het verschuiven rond de mannenhals. Nieuwslezers zijn steeds vaker dasloos. En ook bij traditionele bolwerken als de Rotary wordt de das steeds minder gesignaleerd. De afgelopen twee jaar is de verkoop van stropdassen met bijna 20 procent gedaald. Was prins Claus, die op 11 december 1998 demonstratief zijn stropdas afwierp, profetisch en komt het einde van de das in zicht?

Als het aan Herman Vuijsje (1946, socioloog en journalist) en Riemer Reinsma (1941, taalpublicist en lexicograaf) ligt, is dat het geval. Beiden zijn uitgesproken telgen van de eerste generatie die zich in de afgelopen eeuw heeft ontworsteld aan de stropdas. Uit fascinatie voor een mannenonderwerp dat aan de cafétafel evenveel los bleek te maken als dat andere cafétafelonderwerp, seks, schreven ze een kleine geschiedenis en sociologie van de das. Titel: De Ontknoping. Ondertitel: Heeft de stropdas nog een toekomst?

Vuijsje: ,,Ik ben geen dassenhater.''

Reinsma: ,,Ik wel.''

Vuijsje: ,,Ik vind het vooral erg ongemakkelijk. Maar ik ben best bereid er een om te doen, als de situatie dat vereist.''

Reinsma: ,,Ik zat vroeger bij een studentenvereniging. De ontgroening daar was heel fanatiek. Je werd ontgroend in een groene das. Er werd je verteld: zonder das ben je naakt. Een man zonder das is geen man. Achteraf heb ik me van dat gedachtegoed afgekeerd. Daar zit mijn diepgewortelde weerzin tegen de das.''

Vuijsje: ,,Riemer is een revanchist. Ik ben een gematigd niet-dasdrager.''

Reinsma: ,,Bekeerlingen zijn het ergst. Dat weet je toch.''

If God created man, the devil designed his clothes, citeren de schrijvers spijkerbroekenfabrikant Levi's. We hebben ons de laatste decennia ontdaan van veel knellende kledij, maar de stropdas bleef. De das is symbool van mannelijke identiteit. Hij geeft toegang tot de beschaafde wereld, maar verleidt ook tot aanpassing, tot conformisme. Hoe kan het dat mannen zich aan deze knellende conventie blijven onderwerpen? De moderne westerse leefwijze kenmerkt zich door sterk individualisme en informele omgangsvormen. Vermoedelijk hebben we dus te maken met een anachronisme, een rudiment, stellen de schrijvers, en duiken in de geschiedenis.

Halsdoeken waren er voor onze jaartelling al bij de Chinezen en Romeinen. Bij een comeback na enkele dasloze eeuwen zien we ze om de halzen van Kroatische huurlingen (waaraan de cravate of Krawatte z'n naam dankt). Nog niet in de vorm van de huidige stropdas, maar als linnen doek waarmee hals en borst werden omwikkeld. Die doek diende om de amulet te beschermen die eronder werd gedragen. Later zou de doek de amulet gaan vervangen en nog later drong de doek in kanten vorm door tot aan het Franse hof: de das was chic geworden. In 1880 bonden studenten van het Exeter University College de linten van hun strohoeden met een eenvoudige dasknoop om de hals en de stropdas zoals wij die kennen, was geboren. In feite is het nog steeds een amulet, maar dan als bescherming voor managers en middenstanders in het zakelijke strijdperk. Vuijsje en Reinsma onderzoeken verder hoe er tegen de das wordt aangekeken in de literatuur, door vrouwen, op kantoor, in de politiek en in de etiquette. De schrijvers voeren vele principiële daslozen (zoals Jan Wolkers) en dasdragers (zoals Elly de Waard) ten tonele.

Vuijsje: ,,De das is het harnas van de werkvloer. Hij impliceert hiërarchie. En ik doe niet aan hiërarchie.''

Reinsma: ,,Mij legt niemand gedachten op. Dat is de boodschap die ik wil uitstralen.''

Vuijsje: ,,Hij lijkt nutteloos, maar op symbolisch niveau is de das wel degelijk functioneel. De das staat voor de capabiliteit om een gezin te onderhouden.''

Reinsma: ,,De das is tussen onze oren gaan zitten.''

Een blote mannenhals is letterlijk en figuurlijk een uitnodiging tot inkijk. Dient de das, psychologisch gezien, soms voor het bedekken van zwakheid, emotionaliteit, leugens en onzekerheid? In eerste instantie zou je zeggen van wel. Maar op het strand hoeft de das niet, stellen de schrijvers, alleen bij zakelijke, formele contacten. Dat zou erop kunnen duiden dat deze mandekking eerder op een conventie berust dan op een diepgeworteld kwetsbaarheidsgevoel. Alleen de boodschap telt nog, namelijk dat de drager bereid is het nutteloze voorwerp rond de hals te strikken. Als amusant en verregaand voorbeeld noemen zij een zekere Henk uit Amsterdam, die bij plechtige gelegenheden een verfrommelde das uit zijn zak haalt en die bij wijze van ornament met een grote veiligheidsspeld op zijn trui speldt.

Natuurlijk heeft ook Freud zich over het fenomeen stropdas uitgelaten: de das als penissymbool is een populaire en voor de hand liggende duiding. Maar de schrijvers hebben ook bezwaren tegen de das als fysiek penissymbool. Zij zoeken de betekenis eerder in de sociaal-maatschappelijke hoek. De stropdas is een eeuw geleden opgekomen als symbool van de man die met een goede baan de kost verdiende, in een tijd dat vrouwen niet werkten. Zo is de das een belangrijke drager van trots en sekse-identiteit geworden.

Vuijsje: ,,Ik houd niet van dasvervangende elementen. Zo'n T-shirt onder je overhemd, dat dus nooit.''

Reinsma: ,,Tijdens het onderzoek voor dit boekje ben ik toch wel onder de indruk geraakt van de gesprekken over ouder wordende nekjes. Terwijl ik vroeger dacht dat ik een redelijk geslaagde nek had.''

Ook onder daslozen zijn er varianten, grofweg te verdelen in `rekkelijken' en `preciezen'. In de jaren zestig verschenen de `principieel daslozen' in het straatbeeld. Bioloog en dichter Dick Hillenius was hun al zo'n twintig jaar voor. Bij hem was dasloosheid onderdeel van een ideologische totaalvisie: hij vond de strop niet alleen ongemakkelijk, maar ook verwerpelijk en droeg uitdrukkelijk een open kraag. Onder de daslozen van tegenwoordig vinden we vooral de `Scheepmaker-variant': publicist Nico Scheepmaker conformeerde zich aan de formele dracht, compleet met wit overhemd, maar liet de das weg. Vooral kunstenaars, intellectuelen en journalisten zijn vaak dasloos op z'n Scheepmakers, zoals Hugo Claus en Felix Rottenberg. De rekkelijken onder de daslozen gaan op zoek naar manieren om geen strop te dragen, maar toch niet door het leven te gaan zonder iets om hun nek. Dasvervangers zijn een toevlucht voor de cravatofoob. Een gesloten overhemd zonder das, een overhemd met extra knoopje, button-downoverhemden, de veterdas, de choker, de lavallière (geknoopte sjaal met bungelende uiteinden), de coltrui, de bretel en de vlinderdas zijn alternatieven. Het T-shirt is het populairste dasvervangende element, vooral onder de `verloren generatie', de generatie na die van Vuijsje en Reinsma.

Vuijsje: ,,Er komen andere hiërarchieën, met andere dasgewoontes.''

Reinsma: ,,Misschien zijn de meeste mensen wel ambivalent. Zelfs de Cor Boonstra's onder ons.''

De grote dasverlating begon in de jaren tachtig. Organisaties werden platter, minder hiërarchisch, meer gebaseerd op teamwork, en er kwamen meer thuiswerkers en parttimers. Dasloosheid was een belangrijke secundaire arbeidsvoorwaarde van freelancerschap: freelancers doen een das om als het moet; de anderen doen hem af als het mag. De internetwereld was dasloos en bankdirecteuren volgden. Casual Friday deed z'n intrede. Het gevolg was dat de dasnormen flexibel, veranderlijk en eclectisch zijn geworden. ,,De das wordt niet weggeworpen, maar ontknoopt'', zegt Vuijsje. ,,Een knoopje los onder de das is nu geaccepteerd, bijvoorbeeld. Er zijn nieuwe hiërarchieën met nieuwe variaties.'' Das à la carte, noemt Reinsma het. En dat is voor mannen een aardige, maar soms ook verwarrende ontwikkeling. Nooit werden er zoveel stropdassen in jaszakken gedragen en in dashboardkastjes geparkeerd in afwachting van het juiste moment. Ook de dasloosheid heeft z'n onschuld verloren, zeggen Vuijsje en Reinsma. Maar de das is voorlopig gered, want met het wegvallen van de strikte dasdraagcodes neemt ook de noodzaak af om rigoureus met de stropdas te breken. Tussen de regels door lijken de heren schrijvers dat eigenlijk spijtig te vinden. Dasloosheid is voor hen een principe, iets dat zich laat associëren met vrij denken, zelfontplooiing en individualiteit.

En als dasloosheid een voorschrift wordt?

Reinsma: ,,Dan doe ik acuut een das om.''

Vuijsje: ,,Ik ook. De recalcitrantie tegen de norm zit dieper dan de weerzin tegen de strop.''

`De ontknoping; heeft de stropdas nog een toekomst?' Uitgeverij Contact, ISBN 90 254 1438 9, prijs ƒ24,90