Bijkletsen zonder geluid

Gebarentaal heeft precies dezelfde mogelijkheden als gesproken taal. Eindeloos bijkletsen of filosoferen kan ook heel goed zonder geluid.

EEN HOPELOZE BRON van misverstanden over de gebarentaal van doven blijft dat er zoiets bestaat als het handalfabet, waarmee je kunt vingerspellen. Maar een gebaar kun je nooit uitspellen. Gebarentalen hebben namelijk geen geschreven vorm, dus als er al gespeld wordt dan gaat het om woorden uit een gesproken taal. Een uitstekende manier om die woorden te lenen, dat wel, want net als alle andere talen lenen gebarentalen ook. Van elkaar, maar evengoed van gesproken talen. Een letter uit het handalfabet kan bovendien een functie vervullen in een gebaar dat meer elementen bevat. Zo is de handalfabetversie van de letter L gespeld op je hoofd in Nederland het gebaar voor `rijschool'.

Daar ligt weliswaar een duidelijke verbinding met de Nederlandse cultuur, maar met de Nederlandse taal heeft het hooguit indirect te maken. Nederlandse Gebarentaal is dan ook echt iets anders dan Nederlands. En het is ook al niet een kwestie van gewoon voor elk Nederlands woord een Nederlands gebaar `invullen'. Gebarentalen hebben hun eigen wetten, maar die geven intussen wel precies dezelfde mogelijkheden als gesproken talen.

Dat laatste is voor horenden in eerste instantie vaak moeilijk te snappen. Gebaren maken we immers allemaal, lichaamstaal aflezen kan iedereen. En je kan met een vies gezicht of een wegwerpgebaar natuurlijk een krachtig signaal geven, maar de mogelijkheden blijven uiterst beperkt. En als je doof bent zou je ineens met behulp van diezelfde handen en armen en je gezicht veel meer kunnen overbrengen dan wat primaire gevoelens en simpele boodschappen? Sterker nog, gezichten trekken, armzwaaien en vingerbewegen zouden het praten helemaal kunnen vervangen?

Het lijkt een sterk staaltje, maar overal ter wereld vind je doven die precies dat doen: praten, ouwehoeren, zwaar discussiëren, grappen maken, schelden, filosoferen zónder spraak, in gebarentaal. En het is minder gek dan het lijkt. Wij horenden doen het met klanken, die op zichzelf helemaal niets betekenen. Toevallige combinaties hebben toevallige betekenissen, waarbij één klankje verschil veel kan uitmaken: een stap is geen stad, stam, of stal, maar ook geen stop, step of stip.

Op dezelfde manier kan de stand van de hand, of de plaats waar een gebaar wordt gemaakt (bij je mond, op je voorhoofd, voor je lichaam) of de beweging zelf een gebaar een compleet andere betekenis geven. Dat we aan toevallige elementen een betekenis kunnen hechten is een talent dat alle mensen delen, of ze kunnen horen of niet. Daarnaast is inzicht in structuren een cruciaal onderdeel van ons taalvermogen.

In gebarentalen zie je dan ook dezelfde dingen die gesproken talen hun eindeloze mogelijkheden geven: uit twee gebaren kun je een nieuw gebaar samenstellen, volgordeverschillen geven betekenisverschillen, voor meervoud, voor vragen, voor de verleden tijd, voor alles zijn er grammaticale elementen in gebarentaal.

De principes zijn hetzelfde, de ingrediënten ten dele anders. Een gebarentaal leren kan net als een gesproken taal al in de wieg beginnen. Een baby die gebarentaal ziet, gaat liggen brabbelen met zijn handjes, en maakt zijn eerste gebaartje rond zijn eerste jaar, als ook het eerste gesproken woordje valt. Ook de verdere stappen in de ontwikkeling lopen voorzover inmiddels bekend parallel. Het onderzoek naar gebarentalen is nog jong, maar het werpt nu al een heel bijzonder licht op wat menselijke taal is.