`Afghanistan heeft alleen vrienden'

De Talibaan in Afghanistan gedragen zich steeds vijandelijker tegen hulporganisaties. Diplomaten krijgen geen vat op de `Koranstudenten'.

Toen de Talibaan in maart twee eeuwenoude boeddhabeelden in Bamiyan opbliezen, beseften ze niet welke commotie dat in de wereld zou geven. ,,Als we dat hadden geweten, hadden we het veel eerder gedaan'', zegt mullah Abdul Manan Niazi, gouverneur van Kabul, met een brede grijns op zijn gezicht.

De onbekende `Koranstudenten' kregen nog het voordeel van de twijfel toen ze in het midden van de jaren negentig hun opmars begonnen en mujahedeen-milities ontwapenden. Maar nu weet het buitenland zich geen raad met hun grillen. ,,Sommigen dachten: de Talibaan verdwijnen wel weer. Anderen dachten: ze draaien wel bij als ze eenmaal de macht hebben'', zegt een hoge functionaris van de Verenigde Naties in Islamabad. Beide voorspellingen zijn niet uitgekomen: de Talibaan beheersen het overgrote deel van Afghanistan, en diplomaten krijgen maar geen vat op hun religieus fanatisme.

De Pakistaanse publicist Ahmed Rashid stelt in zijn boek over de Talibaan, dat hun organisatie steeds meer de irrationele en dictoriale karaktertrekken vertoont van die van de vroegere Rode Khmer in Cambodja. Er zijn ministeries in de hoofdstad Kabul, maar van een normaal overheidsbestuur is geen sprake. De werkelijke beslissingsmacht ligt in Kandahar. In die zuidelijke provinciestad liet mullah Mohammad Omar zich in 1996 uitroepen tot Amir-ul Momineen (Leider van de Gelovigen).

De leider van de Talibaan toont zich nooit aan westerse diplomaten of journalisten. ,,Niet omdat u een christen bent. We zijn allemaal afstammelingen van Adam en Eva. Wij maken geen onderscheid tussen islamieten en niet-islamieten'', legt mullah Jan Mohamad Madani, directeur van het bureau van Buitenlandse Zaken in Kandahar, vriendelijk uit. ,,Maar u moet weten: mullah Omar is een zeer drukbezet man. Hij heeft eenvoudigweg geen tijd.''

Met hun fatwa's (religieuze decreten) – gericht tegen vrouwen, tegen hindoes en andere minderheden en tegen buitenlandse hulpverleners – onderstrepen de Talibaan steeds weer hun extremisme. Misschien daarom dat diplomaten niet goed weten hoe te reageren als er wel eens positief nieuws te melden valt. Dit voorjaar verboden de Talibaan de teelt van papaver (voor opiumbereiding). Dat bericht werd met scepsis ontvangen, maar waarnemers hebben vastgesteld dat er inderdaad geen papaver meer groeit.

Het tragische is dat er geen lokkend alternatief is voor de Talibaan. De VN erkennen de Talibaan niet als de legitieme machthebbers in Afghanistan, maar steunen nog steeds de regering van de zogeheten `Noordelijke Alliantie'. Die bestaat uit vroegere mujahedeen-facties. De belangrijkste leiders hebben zich, voordat ze door de Talibaan werden verdreven, leren kennen als wrede krijgsheren die tienduizenden burgerslachtoffers maakten in hun onderlinge machtsstrijd. Weinigen verlangen naar hun terugkeer.

Tijdens de Sovjet-bezetting van Afghanistan was de Pakistaanse geheime dienst, gesteund door de VS, de belangrijkste wapenleverancier voor de mujahedeen. Pakistan geldt nu als de belangrijkste bondgenoot van de Talibaan. Duizenden Pakistani en fanatici uit andere islamitische landen vechten mee aan de zijde van de `Koranstudenten'.

Aan de andere kant van de frontlinies staan Iran (dat zich opwerpt als beschermheer van de shi'itische Hazara's in Afghanistan) en de Centraal-Aziatische republieken. Gesteund door Moskou, en op wat meer afstand Washington, houden zij de noordelijke oppositie op de been. De VN-Veiligheidsraad heeft sancties uitgevaardigd tegen de Talibaan wegens het huisvesten van terroristen, zoals Osama bin Laden. Maar de noordelijke oppositie mag wel met wapens en geld worden gesteund.

Dat gebeurt dan ook en de Afghaanse bevolking kijkt machteloos toe hoe hun door droogte geteisterde land opnieuw wordt verscheurd door oorlogsgeweld. ,,Er is niets nieuws onder de zon'', zegt een Afghaan die twaalf jaar geleden uitweek naar Peshawar in Pakistan. Tientallen baantjes heeft hij gehad en nu is hij, op 35-jarige leeftijd, eigenaar van een bloeiend computerbedrijf. Niet slecht voor een vluchteling, beaamt hij. Maar tevreden is hij allerminst. ,,Wat denk je?'', reageert hij bitter op de vraag of hij niet terug wil naar zijn vaderland. ,,Weet u wat het probleem is: Afghanistan heeft alleen maar vrienden en geen vijanden. En al die vrienden, Rusland, de VS, onze buurlanden Pakistan, Iran en al die anderen, hebben zich steeds met ons bemoeid en ons land vernietigd. Niemand zal winnen, maar de Afghanen verliezen dubbel.''

Cynisme klinkt ook door in de stem van de VN-functionaris in Islamad. ,,Een schandaal'', zegt hij over de vredesinspanningen. ,,De zogenoemde internationale gemeenschap heeft geen idee waarmee zij bezig is. Iedereen weet dat de buurlanden een belangrijke rol spelen in het conflict, maar niemand praat daar over. Men vergadert om de zoveel tijd en luistert naar elkaars leugens. Niemand zoekt naar een echte oplossing. Niemand interesseert het eigenlijk ook.''

Zo ontstaat het beeld van een afgeschreven land, waar alleen nog maar humanitaire hulpverleners bijstand verlenen, mits ze zich onderwerpen aan de grillen van de Talibaan. De VN-hulporganisaties en de niet-gouvermentele organisaties spelen noodgedwongen de rol van burgemeester-in-oorlogstijd. ,,In feite doen wij het werk, zoals gezondheidszorg, voedselverstrekking en scholing, die normaal tot de taken van de overheid behoren. Maar de ongeschoolde Talibaan zijn niet bij machte om een regeringsapparaat op poten te zetten, en ze zijn daarin ook niet geïnteresseerd. Als je een ministerie binnenkomt, tref je daar in het gunstigste geval een welwillende minister aan die je een kop thee aanbiedt. Maar een ambtelijk apparaat is er niet. Iedereen is vertrokken. Als je boeken wilt inzien, kun je die het beste zoeken op de markt. Daar tref je nog wel eens handboeken aan die tijdens de Sovjet-bezetting uit de bibliotheken en de ministeries zijn verdwenen'', zegt een hulpverlener.

Is er dan geen enkele hoopvolle ontwikkeling? ,,Nee'', luidt het antwoord van veel diplomaten en hulpverleners. ,,Het is dweilen met de kraan open'', zegt de VN-functionaris. ,,80 procent van de hulp is humanitaire hulp, het leeuwendeel voedsel, maar die is de afgelopen jaren al nooit voldoende geweest. Niemand investeert in herstel en opbouw. Structureel gaat het land steeds verderachteruit. Droogte, onderfinanciering door de donorlanden, onverschilligheid van de Talibaan en nu weer oorlog en oplaaiend etnisch geweld – wat wil je nog meer? Het ziet er doodeng uit.''

(Vijfde deel uit een serie over Afghanistan. De eerdere afleveringen verschenen op 15, 17, 25 en 26 mei)