Veilige miljoenen

Lang geleden, toen Nederland nog een beetje een klassenmaatschappij was en de CPN de strijdbare arbeiders probeerde te organiseren, heeft het communistisch Volksdagblad De Waarheid een reportage gepubliceerd, genaamd Het kapersnest Bloemendaal. Een kenmerkende zin is de volgende: ,,Na de party, in de vroege ochtend, moet de dienstbode het parelcollier van mevrouw uit haar braaksel vissen''. Dergelijk proza van de klassenstrijd wordt hier niet meer geschreven. Toen was het trouwens ook al zeldzaam. Nederlanders raken bij de aanblik van andersmans rijkdom niet voldoende in opwinding om daaruit de energie voor een radicale politieke keuze te putten.

Aan het verhaal in De Waarheid dacht ik toen ik las dat de voorzitter van de FNV, Lodewijk de Waal, had voorgesteld, jaarinkomens van boven de drie miljoen gulden met een ,,kleptocratentax'' te belasten. Wat boven de drie miljoen kwam, zou door een heffing van honderd procent worden getroffen. Het denkbeeld op zichzelf mag radicaal worden genoemd. De naam die de vakbondsleider ervoor heeft bedacht, doet oude tijden herleven. Een kleptomaan is iemand die dwangmatig steelt. Een kleptocraat moet iemand zijn die deel uitmaakt van een bewind dat zich met stelen handhaaft.

De voorzitter van de werkgeversvereniging VNO-NCW, J. Schraven, toonde zich eerder bedroefd dan boos. Hij had zich ,,geërgerd'', hij was ,,geprikkeld'' zei hij in het werkgeversblad Forum van een paar weken geleden. Maar toch kon De Waal niet volstrekt ontevreden zijn. De sterke stijging van de beloning der topmanagers is voorbij, liet Schraven weten. De inhaalslag met het buitenland is voltooid. We hoeven hier niet bang te zijn voor Amerikaanse toestanden. Daar zijn de grenzen van ,,van het betamelijke en rationele overschreden''. Zijn dit niet de woorden die De Waal graag wilde horen? De enige vraag is nu in hoeverre de heren het eens kunnen worden over wat `betamelijk' en `rationeel' betekenen.

Het debat over de beloningen is al jaren gaande. Toen krachtens optieregelingen een aantal topmanagers zeer grote bedragen incasseerde, sprak premier Kok van ,,exhibitionistische zelfverrijking''. De Volkskrant publiceert ieder jaar omstreeks deze tijd het resultaat van zijn `beloningsonderzoek', een lijst met het gemiddeld inkomen per bestuurder van honderd Nederlandse ondernemingen. Volgens de berekeningen van de Volkskrant is het inkomen van de topmanagers in 2000 met 14 procent gestegen en het jaar daarvoor met 13 procent terwijl de CAO-beloningen met drie tot vier procent zijn toegenomen.

Onder de kop Tijd voor salarisverhoging schreef Wynold Verwey in deze krant (3 mei): ,,Op het moment dat winstwaarschuwingen elkaar overschreeuwen en arbeidsplaatsen met tienduizenden per maand verdwijnen, verdienen topmanagers meer geld dan ooit. Unilever, dat zijn winst tijdelijk heeft geofferd aan de overname van het Amerikaanse Bestfoods en 33.000 arbeidsplaatsen aan de wilgen hangt, gaat zijn managers beter belonen. Philips, dat het slechtste kwartaal uit zijn recente geschiedenis achter de rug heeft, verhoogt het salaris van de topmanagers met 13,8 procent. De president van De Nederlandsche Bank, Nout Wellink, vindt dat die verhogingen `niet uitnodigen tot een klimaat van beperkte loonstijgingen'.'' Het hoofdartikel van dezelfde dag besluit: ,,Iedere loontrekker vergelijkt zijn schamele 3,5 procentsstijging met de 13,8 procent die het Philips-bestuur zichzelf dit jaar toekende''.

Het vraagstuk van de beloning der topmanagers is een wetenschap op zichzelf. Achterstand in vergelijking met het buitenland, behoud van talent, invloed van de mondialisering, wijze van uitbetaling, bonussen, opties – het zijn langzamerhand begrippen uit een theologie, waarbij het van de schriftgeleerde afhangt, welke conclusie eruit wordt gegoocheld. Men kan over de mensen die in een jaar een bedrag verdienen dat een ander in zijn hele leven niet bijelkaar werkt, denken wat men wil. Dat is een kwestie van moraal en smaak. De beste oplossing, dunkt mij, is die welke aan Ernest Hemingway wordt toegeschreven: `The rich are different. They have more money'. Maar met deze constatering is de politieke vraag niet beantwoord.

In tijden die nooit meer terugkomen, hadden we de industrie- en havenbaronnen en het proletariaat. Die tegenstelling werd georganiseerd in vakbonden en politieke partijen. Het proletariaat bestaat niet meer. Daarvoor in de plaats is een over het algemeen weinig tot niet meer politiek bewuste massa van werknemers gekomen. Ook het begrip `uitbuiting' bestaat niet meer. De werknemersmassa beweegt mee op de golven van de mondiale conjunctuur, is afhankelijk van de ontwikkelingen in de techniek, moet zich fusies, overnames, reorganisaties laten welgevallen. En als de nieuwe economie dat wil, wordt daarvoor aan werknemerskant betaald met stress, depressie, burn-out, al die nieuwe ziektes, en eventueel met massaontslag. Tegenover dit grote materiële risico van de velen staat het zeer geringe van de topmanager, die, hoe dan ook uitgerangeerd, daardoor niet in armoede wordt gedompeld.

Het verzet tegen de ongelijkheid van beloning groeit. Maar het is meer ethisch, psychologisch dan politiek. Het heeft in deze tijd van depolitisering en ont-organisering geen werkelijke macht. Zolang een topmanager de verleiding kan weerstaan om ter aanvulling van zijn zakgeld met voorkennis te handelen, kan hem, behalve dat hij met zijn beloning in de krant komt, eigenlijk niets gebeuren.