Spaanse meesters

Barcelona telt twee van de beste business schools van Europa. Ook Nederlandse studenten hebben dat ontdekt. Een studie die het allemaal heeft. ,,Multinationals kijken maar naar een klein groepje scholen.''

`De salade.'' Met moeite weet Edwin de Bruin aan het einde van de lunch iets te noemen dat minder goed is aan de business school waaraan hij zijn MBA-opleiding volgde. De juiste ingrediënten zitten er allemaal in: sla, olijven, uitjes, mini-tomaatjes en zelfs wat witlof. Maar al die onderdelen samen maken nog geen geweldige salade. De synergievoordelen ontbreken, vindt De Bruin.

Dit in tegenstelling tot zijn studie. Die heeft het allemaal: interessante case studies, een internationaal gezelschap van studenten, docenten met goede contacten in het bedrijfsleven, colleges die zowel in het Spaans als Engels gegeven worden, uitstekende carrièreperspectieven, en niet te vergeten Barcelona. Oh, Barcelona. De Bruin zal het nog missen wanneer hij vrijdag zijn bul krijgt en de stad moet verlaten. Het klimaat, de mensen, het gevoel van internationalisering en economische groei dat over de stad heen hangt.

De Bruin legt zijn servet neer, excuseert zich en gaat dan snel op weg naar zijn volgende studieafspraak. De 32-jarige student neemt zijn studie aan één van de beste MBA-opleidingen ter wereld uiterst serieus. Dat moet ook wel. Tot een business school van hoog niveau toegelaten worden is niet eenvoudig – een jaar is de minimale voorbereidingstijd – en vooral kostbaar. Twee jaar aan IESE in Barcelona studeren kost alleeen al aan collegegeld 70.000 gulden. En dan heeft De Bruin het nog niet eens over het onderhoud van zijn vriendin en dochtertje Sofie.

Toonaangevende Europese business schools, zoals De Bruins IESE in Barcelona, zien het aantal aanmeldingen jaarlijks met tien procent stijgen. Wereldwijd is aan 2000 opleidingen de fel begeerde MBA (Master of Business Administration)-titel te behalen. Dat onderwijs aan klassieke Amerikaanse universiteiten zoals Harvard en Yale goed is, wordt door de meeste bedrijven niet betwijfeld. Maar waarom zou een Nederlander die een goede baan en universitaire achtergrond heeft, zichzelf voor tonnen in de schuld steken voor een opleiding die ook in Nederland gevolgd kan worden?

Neem, nogmaals, Edwin de Bruin. Hij studeerde lucht- en ruimtevaarttechniek in Delft en werkte na zijn militaire dienst vijf jaar bij Hollandsche Signaal. De Bruin wilde vérder, hij wilde een internationale carrière. Omscholing leek De Bruin daarvoor noodzakelijk en hij ,,móest gewoon naar het buitenland''. Dat lijkt een mager argument om jezelf en je gezin voor tonnen in de schuld te steken. De Bruin: ,,Laat ik het anders zeggen. Niet dat opleidingen in Nederland niet goed genoeg zijn, maar multinationals kijken voor hun toekomstige werknemers toch maar naar een bepaald groepje scholen. Ik wilde daarvan deel uitmaken.''

Met duizenden verschillende opleidingen is het voor zowel het bedrijfsleven als aankomend studenten lastig te bepalen welke scholen goed zijn, en welke een zinloze investeringvormen. Internationale media springen hierop in, en publiceren ranglijsten van de beste opleidingen. De rankings van zakenkrant Financial Times en magazine BusinessWeek worden door universiteiten en het bedrijfsleven als meest gezaghebbend gezien. Sinds dit jaar publiceert ook The Wall Street Journal een lijst, gebaseerd op de oordelen van 1.600 personeelswervers uit het zakenleven. Uit die meest recente ranglijst van vorige maand blijkt dat Europese scholen het verrassend goed doen. Van de vijftig beste scholen zijn er zes Europees. En van die zes is de helft Spaans. Verrassend? De scholen zelf vinden van niet. Wij waren in Europa de eerste scholen die de opleiding aanboden, zeggen ze in Spanje. ,,Daarom doen we het nu zo goed in de peilingen.'' Voor die gedachtegang valt iets te zeggen. Immers, de lijst van The Wall Street Journal werd gemaakt op basis van de commentaren van het bedrijfsleven over de scholen en hun studenten. Hoe langer een school bestaat, des te meer alumni het afgeleverd heeft. Daarmee neemt de kans toe dat oud-studenten van een bepaalde opleiding door recruiters opgemerkt worden.

Dat twee van de zes Europese opleidingen bij elkaar om de hoek in de dure buitenwijk Pedralbes van Barcelona gevestigd zijn is wél opvallend. Tegen de berg aan liggen letterlijk op een steenworp afstand van elkaar de campussen van de scholen ESADE (nummer 26 volgens de ranlijst van The Wall Street Journal) en IESE (nummer 50).

ESADE, Escuela Superior de Administración y Derección de Empresas, is in 1958 opgericht door de Jezuïetenorde, op aandringen van een groep Catalaanse zakenmannen. Spanje ging in die jaren nog gebukt onder het regime van dictator Franco, maar in Catalonië waren door het toerisme en de sterke familiebedrijven in Barcelona de eerste tekenen van oplevende internationale zakenactiviteiten voelbaar. Zakenlieden vroegen de Jezuïeten een school op te richten die aan de toenemende vraag van hoogopgeleide en internationaal georiënteerde managers kon voldoen.

Instituto de Estudios Superiores de la Empresa, IESE, werd in hetzelfde jaar opgericht door de rooms-katholieke beweging Opus Dei. De school heeft tot op heden een humanistische benadering, en legt veel nadruk op de ethische kant van economisch besturen.

Beide scholen willen nauwelijks iets met elkaar te maken hebben. Studenten zeggen genoeg aan hun eigen vrienden te hebben (Een student: ,,Sterker nog: ik heb geen idee waar die andere school staat'') en docenten kennen hun vakgenoten niet. Alleen Carlos Cavallé, dean van IESE, praat zo nu en dan met Xavier Mendoza, zijn ambtgenoot bij ESADE. Cavallé, die zijn eigen school stukken beter vindt dan zijn buurtgenoot, zegt vol dédain ESADE ,,in het geheel niet als concurrentie'' te beschouwen. ,,Mendoza praat wel eens met me, maar hij moet respect voor me hebben.''

Cavallé doelt daarmee op de uitkomsten van de andere ranglijsten, waaruit ESADE helemaal niet als beste opleiding van Europa naar voren komt en IESE veel hoger scoort. Het verschil tussen de lijsten zit 'm in de manier van samenstellen. De andere lijsten maken veel meer dan die in The Wall Street Journal gebruik van cijfermatige informatie, onder meer over salarisstijgingen. Dean Mendoza van ESADE heeft weinig problemen met de uitkomsten van de enquête: ,,Wij zijn tevreden want de lijstjes creëren nou eenmaal goede verwachtingen bij toekomstige studenten.'' En daarmee stijgt het aantal aanmeldingen voor de opleiding.

Mendoza wil nog net niet spreken over zijn school als opleidingsfabriek met winstmaken als belangrijkste oogmerk. Als bedrijfsdoel ziet hij ,,het produceren van zo veel mogelijk getalenteerde individuen''. Zijn concurrent Cavallé ziet uitbreiding van het aantal studenten niet als de weg omhoog voor zijn school IESE. ,,Onze studenten hebben grote verwachtingen van de school. Alles moet daarom perfect zijn. Wanneer de school te groot wordt, is dat moeilijker te realiseren.''

De verwachtingen zijn niet alleen bij de studenten, maar ook bij het bedrijfsleven hoog gespannen. Veel ondernemingen betalen namelijk mee aan de opleiding van hun werknemers. Maar in de praktijk wil het nog wel eens voorkomen dat studenten tijdens de opleiding besluiten – tegen de afspraak in – niet terug te keren bij hun oude werkgever. Bij Edwin de Bruin gebeurde dat ook. Signaal betaalde voor een groot deel mee aan zijn opleiding, met als doel een hoger opgeleide werknemer terug te krijgen. Maar na de bul-uitreiking van overmorgen gaat hij bij Morgan Stanley werken (,,ik weet alleen nog niet of het Zürich of Londen wordt''). Zijn oude werkgever vertellen dat hij bij nader inzien toch niet terug zou komen ,,was niet makkelijk''. Signaal wil het geld terug. Gelukkig verlicht de bonus van zijn nieuwe werkgever de pijn enigszins. Volgens IESE krijgen oud-studenten dit jaar gemiddeld 20.000 à 30.000 pond sterling van een bedrijf wanneer ze een contract tekenen. Daarmee is een groot deel van de gemaakte schulden in één klap terugbetaald.

Hoewel sommige concerns beweren niets te hebben aan MBA-ers die te theoretisch geschoold zouden zijn, is het voor de studenten in Barcelona geen enkel probleem een goede baan te vinden. Meer dan 95 procent van de studenten tekent vóór het afronden van de studie een contract. Zo zegt de 28-jarige Nederlandse Nienke Boersma dat bedrijven ,,behoorlijk aan je trekken als je een MBA doet''. Boersma krijgt wekelijks vijf verzoeken van bedrijven eens langs te komen voor een gesprek. Het boek met de cv's van studenten dat de school onder bedrijven en recruiters verspreidt, werkt flink mee aan die belangstelling voor de studenten. Boersma, die technische natuurkunde studeerde en daarna analiste bij Arthur D. Little was: ,,Maar vergeet niet: een MBA is wel twee jaar hard aanpoten. Je bent alleen al veertig uur per week op school, laat staan alles wat je ernaast moet doen.''