Blair kan niet onder de euro uit

De Britten gaan het steeds onvermijdelijker vinden dat hun land de euro zal aanvaarden. Goed nieuws voor diegenen die genoeg hadden van de principeloze timiditeit van Tony Blair, vindt Steven Everts.

Tony Blair zal morgen een verpletterende overwinning boeken. De vaak misplaatste term `historisch' is in dit geval wèl gerechtvaardigd. Blair zal immers de eerste Labour-premier in de geschiedenis zijn die twee volledige termijnen regeert. Natuurlijk, Labour heeft een solide campagne gevoerd. Maar veel belangrijker is dat de partij de vinger heeft aan de Britse pols: geen geknoei met de publieke financiën, maar wel herstel van de collectieve sector door substantiële investeringen in gezondheidszorg, onderwijs en openbaar vervoer.

De Conservatieven, onder leiding van de impopulaire William Hague, hebben de plank spectaculair misgeslagen met strijd tegen frauduleuze asielzoekers, de zoveelste strafcampagne tegen criminelen, het eeuwige gevecht tegen de onaanvaardbare inmenging van `Brussel'. Het mag allemaal populair zijn bij de eigen achterban, maar deze rechtse agenda strookt niet met de prioriteiten van het land.

De voorspelbaarheid van de verkiezinguitslag maakt het mogelijk nu al de betekenis ervan te schetsen voor de rest van Europa. Twee beleidsterreinen springen in het oog: de toekomst van de collectieve sector, een hot item in de hele Westerse wereld; en de Europese agenda, inclusief eventuele Britse deelname aan de euro.

De belangrijkste reden voor Labours succes is een fundamentele verschuiving in het politieke klimaat van Groot-Brittannië. Deze verandering is vooral gebaseerd op het hemeltergende verval van de overheidsdiensten. De wachtlijsten in de gezondheidszorg zijn zó lang, de ellende in het onderwijs is zó groot en de staat van het openbaar vervoer is zó dramatisch, dat alle partijen pleiten voor nieuwe investeringen. New Labour heeft dit goed aangevoeld en de politieke strijd gewonnen. Tot enkele jaren geleden vroegen de de Britten zich vooral af of Labours fraaie verkiezingsbeloften niet tot enorme belastingverhogingen zouden leiden. Nu is de meerderheid bang dat de aangekondigde belastingverlagingen van de Tories tot onaanvaardbare bezuinigingen in de collectieve sector zullen leiden. De rollen zijn derhalve compleet omgedraaid.

Echter, het is onzeker of Labour de beloofde verbeteringen in de collectieve sector inderdaad zal realiseren. Tony Blair mag graag praten over de verwachte heilzame werking van public private partnerships, waar bedrijven door de overheid gefinancierde taken verrichten. Maar het staat niet vast dat bedrijven altijd betere resultaten zullen boeken. Zoals ook elders in Europa wel gebeurt, wordt in Groot-Brittannië privatisering ten onrechte gelijkgesteld met sterkere concurrentie.

In de gezondheidszorg is meer concurrentie inderdaad gewenst. En het is goed dat hervorming van een volledige publieke National Health Service nu mogelijk is. Maar het is twijfelachtig of meer privatisering van scholen ook tot betere resultaten zal leiden. En de ervaring met de privatisering van de spoorwegen, die vooral tot monopolies op bepaalde lijnen heeft geleid, is al helemaal geen lichtend voorbeeld voor de rest van Europa. Kortom, een gezonde scepsis is gerechtvaardigd inzake Blairs claim dat Labour een revolutie zal ontketenen in organisatie van de collectieve sector, compleet met lessen voor de rest van de wereld.

De Europese agenda vormt een nog grotere uitdaging. Blair wil een einde maken aan vier decennia van destructief antagonisme, en ,,Groot-Brittannië definitief verzoenen met zijn Europese lot''. Het valt te verwachten dat hij dit najaar een aantal enthousiaste speeches zal houden over `het Europese project'. Daarin zal hij vooral claimen dat de Britten het debat over de vormgeving van de EU hebben gewonnen: nieuwe initiatieven, bijvoorbeeld op het gebied van defensie, vinden namelijk vooral op intergouvernementele manier plaats. Tevens zal Blair benadrukken dat Brussel niet uit is op de vernietiging van het trotse eilandvolk. En het Verenigd Koninkrijk moet zelfvertrouwen tonen omdat het, net als andere landen, de Europese agenda kan beïnvloeden. Misschien zal Blair eindelijk de moed hebben om een krachtige minister van Europese Zaken te benoemen. Al deze stappen zullen worden verwelkomd in de rest van de EU. Maar iedereen weet ook dat deelname aan de euro de lakmoesproef is voor Blairs leiderschapambities.

Er zijn vijf goede redenen om te verwachten dat Blair nu eindelijk uit zijn schulp zal komen en campagne zal voeren voor Britse euro-toetreding.

Ten eerste is er het electorale mandaat. Blair zal versterkt uit de verkiezingen komen. Door Londense intellectuelen wordt hij veelal afgedaan als een schijnheilige opportunist die het getroffen heeft met zijn politieke tegenstanders. Maar in de rest van het land krijgt Blair op zijn minst het voordeel van de twijfel.

De partij weet ook dat hij de enig denkbare leider is die Labour aan de macht kan houden. Dit versterkt Blairs positie ten aanzien van Gordon Brown, de minister van Financiën, die sceptischer is over de euro. Blairs ijdelheid is een volgende factor. De tweede termijn zal, zo wordt door zijn medewerkers gezegd, in het teken moeten staan van zijn politieke nalatenschap. Het verzekeren van Britse deelname aan de euro zou een belangrijk wapenfeit zijn.

Een derde factor is het falen van Hague's poging om van de verkiezingen een soort pseudo-referendum te maken: ,,de laatste kans om het pond te redden.'' Niet alleen is deze strategie mislukt. Maar de anti-euro campagne is nu nog sterker geassocieerd met iets wat op dit moment zeer impopulair is in Groot-Brittannië, namelijk de Conservatieve partij. Bovendien staan pro-Europese zwaargewichten in de Conservatieve partij, zoals Chris Patten, de Europeese Commissaris, en Ken Clarke, de oud-minister, op het punt om hun afkeer van Hague's scherp anti-Europese houding kenbaar te maken. Zij zullen niet alleen onderstrepen hoe contraproductief Hague's campagne was, maar ook steun beloven aan Blair als die, zoals verwacht, voor euro-deelname zal gaan pleiten.

De Europese context is veranderd. Het is steeds duidelijker dat het zelfgekozen euro-isolement de Britse belangen schaadt. Buitenlandse investeerders worden ongeduldiger. Blairs politieke vrienden op het continent, onder wie premier Kok, zijn evenmin onder de indruk van zijn wijfelachtige houding. Tegelijkertijd denken de landen van de EMU- na over de modaliteiten van flankerend beleid. Omdat Groot-Brittannië niet deelneemt aan de euro heeft het geen invloed op de uitkomst van dit debat, maar zal wel gehouden zijn aan de uitkomsten ervan als het later toetreedt.

Ten slotte lijkt ook de afkeer van de euro in de publieke opinie langzaam af te nemen. Lang was ongeveer 65 procent van de bevolking tegen onmiddelijke toetreding. Maar eenzelfde percentage verwachtte toch dat het Verenigde Koninkrijk binnen tien jaar zou deelnemen aan de euro. Interessant was dat een recente peiling, nota bene in de eurosceptische Daily Telegraph, aangaf dat 57 procent vond het land ,,zo snel mogelijk'' dan wel ,,binnen enkele jaren'' moest deelnemen, terwijl 40 procent daar tegen was. Hier komt bij dat een soort defaitisme in de Conservatieve retoriek is geslopen, met waarschuwingen dat Labour het Britse volk zal `misleiden' en dat gesjoemeld zal worden met de uitslag van het referendum.

Natuurlijk is het niet zeker dat Blair een referendum zal aandurven. Hij zou kunnen terugdeinzen indien de opiniepeilingen geen duurzame verandering aangeven, ondanks de pogingen van het kabinet om euro-deelname aan te bevelen. In de kringen rondom Blair wordt er vaak op gewezen dat niets schadelijker is voor de premier èn de pro-Europese zaak dan een verloren referendum. Maar het opinieklimaat is aan het schuiven. In tegenstelling tot een paar maanden geleden hangt een aanzwellend gevoel van onvermijdelijkheid in de lucht omtrent de euro. Dit is goed nieuws voor diegenen die hun buik vol hadden van de principeloze timiditeit van Blair.

Dr. Steven Everts is als Senior Research Fellow verbonden aan het Centre for European Reform, een onafhankelijke denktank in Londen.