Zuiverheid

Onbestendig humeur, wisselvallig weer en het gevoel dat sport de boel alleen kan verergeren. Hoe ontsnap je aan het perspectief van een gietzwart pinksterweekeinde? Aan een lange aaneenschakeling van klaagzangen, lome schijnbewegingen en vooral furieuze en voorspelbare columnistenproza waarin dezelfde namen en woorden opduiken: Priem, Davids, Aalbers, De Boer, FIOD, Estland, EPO, nandrolon, voorwaardelijke celstraffen en definitieve schorsingen? `Wegwezen!' schreeuwden mijn neuronen. Vluchten daar waar nog een onsje zuiverheid het evenwicht der dingen kan herstellen. Ik keek op de autokaart en vond een minuscuul plekje in de Franse Alpen. Een stadje van nog geen 25.000 inwoners, vooral bekend als kuuroord. Van Aix-les-Bains kon ik me nog het statige bad herinneren met een gevel in de Albert Speer-stijl. Een puist van beton vloekend met het lieflijke alpengroen. Ik was daar in 1989 voor de aankomst van de 19de etappe van de Tour de France die door LeMond werd gewonen.

Dat er dit weekeinde in Aix-les-Bains de Franse atletiekkampioenschapen voor veteranen zouden worden gehouden, klonk als een verlossing. Wie naar zuiverheid verlangt weet dat dit verschijnsel ontstaat na een lange rijpingsproces. Met het klimmen der jaren komt de sporter steeds meer in het reine met zichzelf. De haren vallen af of vergrijzen, de spieren slinken, de buikjes zwellen op maar de hartstocht wordt versterkt. Het is voor een leek misschien niet om aan te zien, al die atleten met perkamentenhuid en ontboste schedels die zich springend en rennend een weg naar hun eigen eindstreep banen. Maar vertederend is het wel. En als de toeschouwer goed oplet ziet hij in al die vervallen tempels de onwankelbare drang om nog een keer te vlammen. En in al die gerimpelde blikken de woeste ambitie om te winnen. Vooral van het eigen lijf dat piept en knarst, dat protesteert en remt. En dit is de enige echte strijd in een veteranenkampioenschap: die van een lichaam dat mompelend de veertig is gepasseerd tegen een hoofd dat speels als dat van een kind is gebleven.

Na 980 kilometers reed ik Aix-les-Bains binnen. Het stadion lag ver van het centrum omringd door een ceintuur van hoge flats. Maar op de parking was de sfeer al om te snijden. Veiligheidsbeambten in battledresses spraken onophoudelijk door hun walkietalkies en hielden met hun honden groepen hangjongeren op afstand. Alsof de staat van beleg was uitgeroepen. In de ogen van die jongens zag ik dromen van gebroken autoruiten voorbijtrekken. Overal in het stadion hingen blauwe affiches: pas op uw spullen, let op uw tassen. Om de zoveel tijd onderbrak de stadionspeaker zijn litanie van superlatieven om tot waakzaamheid op te roepen. Het woord diefstal was op alle lippen. Ik voelde de vermoeidheid van de reis en wilde die bijna uitschreeuwen: `hou toch op, ik kom hier voor de zuiverheid. Ik ben de fraude en de doping, het bedrog en de vervuilde sentimenten zojuist ontvlucht.'

Het startschot van de honderd meter verscheurde mijn trommelvliezen. Ik zag ogenblikkelijk dat iets niet klopte. Terwijl de atleten nog niet uit hun startblokken waren gesprongen bleek dat de race al was begonnen. Alleen gebeurde dit in de tribunes. Surrealistisch. Op de baan acht versleten kromme ruggen. Op de tribunes een jong lijf, nerveus en flitsend, rennend en zigzaggend tussen de toeschouwers. Een jonge Noord-Afrikaan met drie politieagenten op de hielen. Grijp de dief. Hij kwam op nog geen vijf meter van mij ten val, door toedoen van een kogelslingeraar uit Bretagne. Op dat moment passeerde de winnaar van de honderd meter bijna onopgemerkt de finish. De jonge dief lag op de grond te kronkelen onder het gewicht van een halve politiepatrouille. En atleet met petje en hangbuik sloop naar het getemde lijf op de grond en schopte hem tegen zijn hoofd. Een walgelijk gebaar dat beloond werd met hoon en verontwaardiging van de kant van de omstanders. Ik voelde de misselijkheid in mijn maag terugkeren, en keek achter de hoge flats naar de alpentoppen tevergeefs op zoek naar zuiverheid en evenwicht.