Vernieuwing hoger onderwijs faalt

Bij de invoering van een tweecycli-structuur in het hoger onderwijs volgt Nederland een koers die het `vrije verkeer' van studenten in Europa frustreert en de kwaliteit van het onderwijs in gevaar brengt, vinden Hub Hermans en Gerard de Vries.

Twee jaar geleden spraken 29 Europese Ministers van Onderwijs in Bologna met elkaar af meer transparantie en vergelijkbaarheid te brengen in de structuur van het hoger onderwijs in Europa. Dit mede met het oog op de vorming van één Europese ruimte waarbinnen vrij verkeer van personen en diensten mogelijk zou moeten zijn. Uitgegaan werd van twee cycli, waarvan de eerste ten minste drie jaren moest duren.

In de universitaire wereld is met opmerkelijk enthousiasme op deze ontwikkelingen gereageerd. Veel landen stelden adviescommissies in om de invoering van het tweecycli-stelsel voor te bereiden. Zo werd in Nederland, de commissie-Rinnooy Kan geïnstalleerd. Binnen enkele maanden kwam die met een advies dat breed bleek te worden gedragen. Steekwoorden in het advies waren flexibiliteit en selectiviteit.

De commissie zag binnen een bachelor-masterstructuur grotere kansen voor versterking van de mobiliteit van studenten naar andere Nederlandse of buitenlandse universiteiten na het behalen van het bachelordiploma, als ook verbetering van de doorstroom van HBO-afgestudeerden naar het wetenschappelijk onderwijs. Daarnaast sprak zij de verwachting uit dat meer buitenlandse studenten zouden instromen in de `graduate fase' op basis van een buitenlands bachelordiploma.

De eind vorig jaar gepubliceerde nota `Naar een open hoger onderwijs' van het ministerie van OC&W sluit naadloos op het advies van Rinnooy Kan aan. Er is behoefte aan verbreding van het curriculum van de bachelorfase en een grotere differentiatie en specialisatie in de masterfase, aldus de nota. Het kabinet oordeelde zelfs dat de invoering van een bachelor-masterstructuur een essentiële voorwaarde is voor modern en internationaal georiënteerd hoger onderwijs.

Onlangs kwamen de ministers van Onderwijs in Praag opnieuw bijeen om te bezien hoe ver men gevorderd is met de uitvoering van `Bologna'. Veel Europese landen zoals Frankrijk, Duitsland en Italië bleken volop bezig het nieuwe model te implementeren volgens het internationaal gangbare `3+2-model', een bachelorfase van drie jaar en een mastertraject van twee jaar.

En Nederland? Hier lijkt de discussie te verzanden in een debat over de consequenties voor de studiefinanciering die een tweejarige masterfase met zich mee zal brengen. De aandacht richt zich daarbij in het bijzonder op de alfa- en gammasector. Bèta-opleidingen hebben reeds een totale opleidingsduur van vijf jaar. De kwaliteit van de Nederlandse opleidingen en de beoogde mobiliteit en flexibiliteit dreigen daarbij het kind van de rekening te worden.

Veel opleidingen hebben moeten vaststellen dat een goed programma in een twee cycli-systeem binnen vier jaar niet valt te realiseren. Het huidige ongedeeld programma van vier jaren is wezenlijks iets anders dan twee op elkaar volgende fases die relatief los van elkaar staan.

Wanneer zij hun programma's tot vier jaar moeten beperken zullen opleidingen gedwongen worden om de specialisatiefase al te laten beginnen in het laatste bachelorsjaar, anders kan het vereiste specialistische eindniveau niet worden behaald. Zo dreigt de door de minister bepleite verbreding van de eerste cyclus in het water te vallen. En wat betekent dat voor de beoogde grotere flexibiliteit en mobiliteit? Tenzij programma's overal gelijk worden – wat strijdig is met de eis van differentiatie en profilering en de inmiddels door de letterenfaculteiten met de minister afgesproken taakverdeling – zullen de bacheloropleidingen zodanig op de eigen masteropleidingen voorbereiden dat die onmogelijk goed kunnen aansluiten op het masterprogramma van een andere (Nederlandse of buitenlandse) universiteit. Van de beoogde mobiliteit zal dus ook niets terecht komen.

Om de bama-structuur een succes te laten worden is het noodzakelijk dat masterprogramma's eigenstandige opleidingen worden, die ook gevolgd kunnen worden door studenten met een bachelordiploma van een andere Europese universiteit. Deze eis heeft consequenties voor de opleidingsduur. masterprogramma's van de in Nederland gebruikelijke duur van een jaar (40 of 42 studieweken) vormen in de wereld een unicum. Als absoluut minimum wordt internationaal een lengte aangehouden van 12 maanden. In zo'n geval wordt er negen maanden onderwijs verzorgd en schrijven de studenten gedurende de zomervakantie in drie maanden hun eindscriptie. Dit model is bijvoorbeeld gangbaar in Engeland. Daar heeft de selectie aan de bachelorpoort plaats en is er veel persoonlijke aandacht voor de student door middel van het werken met kleine groepen en het hanteren van een tutorsysteem. Op het Europese vasteland, waar deze voorwaarden doorgaans niet bestaan, wordt algemeen gekozen voor een model waarin een tweejarige masterfase de regel vormt. Kortere masteropleidingen vormen de uitzondering en zij beslaan dan tussen de 12 en 24 maanden.

De invoering van de bama-structuur zal daarom gepaard moeten gaan met een verlenging van de studieduur. Daarbij moet bedacht worden dat hoewel de formele studieduur in de alfa- en gammasector nu vier jaar is, de gemiddelde student toch vijf tot zes jaar over doet om de studie af te ronden. Het is opmerkelijk dat de situatie in andere Europese landen niet anders is. Blijkbaar is dit de minimale periode om succesvol een wetenschappelijke opleiding te kunnen voltooien.

De Nederlandse universiteiten maken zich op om in 2002 of 2003 de bama-structuur in te voeren. Het wordt dus tijd dat de minister op korte termijn uitspreekt dat ook in de alfa- en gammasector tweejarige masteropleidingen mogelijk worden. Dat hij dat tot dusver niet heeft gedaan lijkt te berusten op de koppeling die in Nederland gelegd is tussen de opleidingsduur en de duur van de studiefinanciering. Door deze koppeling dreigen studieprogramma's de gevangene te worden van het Nederlandse studiefinancieringssysteem.

Overigens moet worden opgemerkt dat de kosten voor een beurs voor een vijfde studiejaar relatief beperkt zijn. Het is niet verwonderlijk dat de voorzitter van de Vereniging van Universiteiten, Ed d'Hondt, de conclusie heeft getrokken dat de norm op vijf jaar moet worden gesteld in plaats van de huidige vier.

Momenteel werkt het ministerie van OC&W aan het wettelijk kader voor de invoering van de bama-structuur. Het zou geen kwaad kunnen als men de eigen beleidsnota ter harte nam: ,,Voor hogescholen en universiteiten biedt de invoering van een Bachelor-Masterstructuur, naast nieuwe kansen om zich te positioneren op de internationale onderwijsmarkt, ook een unieke mogelijkheid om het curriculum te vernieuwen. Veel universiteiten ontwikkelen plannen om het curriculum van de bachelorfase te verbreden in combinatie met differentiatie in de Masterfase.'' Mooie woorden, maar zoals de zaken er nu voor staan, zal er in de praktijk van alle uitgesproken wensen en beleidsvoornemens weinig terechtkomen.

Als hij vasthoudt aan een vierjarige studieduur, behoort de minister zijn Europese collega's te melden dat zijn handtekening onder de Bologna-verklaring op een vergissing berust en dat Nederland ervoor kiest de Europese ontwikkelingen in het hoger onderwijs te negeren. Voor Nederland, dat zich als kennisland wil profileren, is dat een absurde stap. Als de minister die gênante volte face wil voorkomen, moet hij de universiteiten in staat stellen zijn met veel enthousiasme ontvangen beleidsvoornemens ook serieus uit te voeren.

Prof.dr. H.L.M. Hermans is hoogleraar Romaanse letterkunde en cultuurkunde, in het bijzonder de Spaanse, aan de Rijksuniversiteit Groningen en voorzitter van het Disciplineoverlegorgaan Letteren en Geschiedenis; prof.dr.ir. G.H de Vries is hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam en voorzitter van de landelijke BaMa-werkgroep Geesteswetenschappen.