Van indiaan tot Zeus

Zampano, de sterke man in Fellini's La strada (1954), kende eigenlijk maar één kunstje: met de spieren in zijn borstkas een ketting breken. De fijnbesnaarde aanbidder van zijn protégee Gelsomina, een koorddanser, dreef de spot met Zampano, maar de simpele ziel was zowel fysiek als moreel zijn meerdere. Anthony Quinns vertolking van Zampano is een van de beste van zijn ruim honderd filmrollen (de Internet Movie Database telt er 158, inclusief televisiefilms en -series). Zondag overleed Quinn, 86 jaar oud, in een ziekenhuis in Boston aan een aandoening van de luchtwegen. Zijn lange carrière strekt zich uit van 1936 tot dit jaar, wanneer postuum zijn laatste film Avenging Angelo in première zal gaan. De op 21 april 1915 in Chihuahua, Mexico geboren Amerikaanse acteur heeft personages van praktisch elke niet-Angelsaksische etnische herkomst gespeeld, en werd vaak neerbuigend beschreven als een parodie van zichzelf. Natuurlijk heeft Hollywood Quinn – zoon van een Mexicaanse moeder die met de zapatistas had meegevochten en een Ierse fruitplukker, die later rekwisiteur en cameraman zou worden – vaak gebruikt als Arabier, maffioso of andere nobele wilde van dienst. Quinn imponeerde echter niet alleen door zijn lichamelijke verschijning, zijn schorre stem (hij haalde in 1967 de hitparade met het zingzeggen van het nummer I Love You, You Love Me) en exotische charme, maar ook door de waardigheid die hij zijn personages verschafte. De immense populariteit van de film Zorba the Greek (Michael Cacoyannis, 1964) is vooral toe te schrijven aan Quinns warmte.

Zijn stormachtige jeugd in de sloppen van East Los Angeles was mede verantwoordelijk voor Quinns imago van wildeman, dat hij graag bevestigde door twaalf kinderen te verwekken bij vijf vrouwen en meer te drinken dan de Hollywood-etiquette voorschreef.

Aanvankelijk speelde hij vooral indianen en Mexicanen in B-films, en in enkele films van Cecil B. DeMille, wiens aangenomen dochter Katherine zijn eerste vrouw was. Hij viel op als opperhoofd Crazy Horse in de western They Died with Their Boots On (1941) en het Mexicaanse slachtoffer van de lynchpartij in The Ox-Bow Incident (1943), maar vooral door de rol op Broadway van Stanley Kowalski in Tennessee Williams' stuk A Streetcar Named Desire. Direct daarna won hij de eerste van zijn twee Oscars voor de bijrol van Marlon Brando's broer in Viva Zapata! (Elia Kazan, 1952). De tweede bijrol-Oscar viel Quinn ten deel als Paul Gauguin in de Van Gogh-biografie Lust for Life (Vincente Minnelli, 1956), gevolgd door nominaties als beste acteur voor Wild Is the Wind (George Cukor, 1957) en Zorba the Greek.

Terwijl Quinn zijn enige film regisseerde, een remake van DeMille's The Buccaneer (1958) en steeds meer succes kreeg als beeldhouwer en schilder, bouwde hij voort aan een illustere filmografie. Hij speelde onder veel meer Attila de Hun, Quasimodo, een eskimo in The Savage Innocents (Nicholas Ray, 1959), een Griekse verzetsstrijder in The Guns of Navarone (1961), Barabbas (1962), de bedoeïenenhoofdman in Lawrence of Arabia (David Lean, 1962), een bokser in Requiem for a Heavyweight (1962), Kublai Khan en de eerste Russische paus in The Shoes of the Fisherman (1968).

De laatste decennia vertolkte Quinn voornamelijk patriarchen, vaak maffiachefs (The Don Is Dead, Mobsters), maar ook hogepriester Kajafas (Jesus of Nazareth), vioolbouwer Stradivarius, de Libische guerrillero Omar Mukhtar, scheepsmagnaat Aristoteles Onassis (The Greek Tycoon) én diens vader Socrates in een televisiefilm. De oppergod Zeus in een tv-serie over Hercules (1994) leek het hoogst bereikbare, maar jongere bioscoopbezoekers bewaren de beste herinnering aan Quinn als de Italiaanse snackbareigenaar in Spike Lee's Jungle Fever (1991) en de Mexicaans-Amerikaanse grootgrondbezitter in A Walk in the Clouds (1995).

`Mighty Quinn' heette de popsong die de Britse groep Manfred Mann in 1968 opdroeg aan de eskimo uit The Savage Innocents. Anthony Rudolph Oaxaca Quinn was een ster met macht en kracht, die praktisch zijn hele Hollywoodgeneratie overleefde, maar die ook respect verdiende voor zijn compromisloze vernuft en het tarten van de notie dat een filmheld blank van ziel en huid zou moeten zijn.