Hoger onderwijs 1

Internationale competitie en een top tien van beste landen waarin Nederland niet mag ontbreken zijn twee stokpaardjes die minister Hermans van OC&W ten aanzien van het hoger onderwijs berijdt. Zo ook in het vraaggesprek met deze krant (25 mei), naar aanleiding van de gehouden vervolgconferentie in Praag over de Bologna-verklaring. In die verklaring is het streven vastgelegd naar een grotere transparantie in het Europese hoger onderwijs, uitgaande van een systeem met twee cycli (bachelor en master).

De invoering van de bachelor/master-structuur draagt tevens bij aan de internationale erkenning van het hoger onderwijs. Dat geldt onder meer voor het Nederlandse systeem, waarover internationaal nogal wat vragen worden gesteld. Een van die vragen geldt de studieduur die zoals bekend in ons land varieert van 4 tot 5 (bèta en technische opleidingen) en 6 jaar (medicijnen en farmacie). De invoering ook in Nederland van een bachelor/master-structuur biedt een uitgelezen mogelijkheid opnieuw na te denken over de duur van de studie. Het gaat er immers niet alleen om een knip in de huidige opleidingen aan te brengen (126 studiepunten=bachelor), maar ook om te komen tot inhoudelijke veranderingen. Gedacht kan worden aan de versterking van de onderzoeksgerichtheid van de universitaire opleidingen en aan de in een aantal opzichten noodzakelijke academische verbreding.

Naast globalisering bekommert minister Hermans zich in het interview ook om de plaats van het Nederlandse onderwijs in de wereld. `Hoger onderwijs moet in de wereldtoptien', heet het. Uit de mond van politici zijn dit vaak gehoorde uitspraken. De afgelopen jaren hebben de Nederlandse universiteiten met verve gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit van de opleidingen. En dat is aardig gelukt, getuige de toch niet kinderachtige visitatierapporten. Maar waarom nou weer een toptien (als we daar al niet bijhoren)? Voor een beperkt aantal onderzoeksopleidingen zal moeten gelden dat de lat zo hoog mogelijk ligt: alleen de meest gemotiveerde en de meest kansrijken dienen tot deze opleidingen toegang te krijgen. Voor veel andere opleidingen geldt dat zij moeten waken voor de kwaliteit van de afgestudeerden in die zin dat de afgestudeerde academici in staat zijn om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van de samenleving. Daarbij gaat het niet zozeer om `top', maar meer om degelijkheid, breedte, vaardigheden en reflectie. Universiteiten leveren afgestudeerden af die straks leidende rollen in de samenleving gaan vervullen, of dat nou is bij de overheid, in het bedrijfsleven, in de zorg of in het onderzoek en onderwijs. De minister zou er goed aan doen om het stokpaardje van `de beste' te vervangen door het streven naar `het betere'. Daar is de Nederlandse samenleving uiteindelijk meer bij gebaat.