Gefrustreerde senaat

MET ENIGE REGELMAAT staat de Eerste Kamer ter discussie. Meestal gebeurt dit als de senatoren het werk van hun collega's uit de Tweede Kamer dreigen te torpederen. Steevast leidt dit bij de `echte' volksvertegenwoordigers tot de vraag of de niet rechtstreeks gekozen leden van de Eerste Kamer zichzelf niet veel te veel bevoegdheden toe-eigenen.

Dit keer zijn het echter de senatoren zelf die twijfel uiten over het eigen bestaansrecht. Het verslag over de activiteiten van de leden van de Eerste Kamer dat afgelopen zaterdag in het magazine M van deze krant stond, was in feite een litanie van zelfkritiek. Men vergadert, maar of de werkzaamheden er enigszins toe doen betwijfelen nogal wat senatoren.

Eigenlijk is dit een gunstig teken. Op het moment dat de Eerste Kamer vergenoegd kan vaststellen dat zij in het wetgevingsproces wel een rol van betekenis speelt, is er namelijk echt wat mis. De senaat past een terughoudende rol. Als chambre de réflexion dient de Eerste Kamer te waken tegen de waan van de dag. Aan de Eerste Kamer de taak door de Tweede Kamer aanvaarde wetten te toetsen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Anders gezegd: meer rechtsstatelijkheid dan politiek.

Nu zijn beide zaken niet strikt te scheiden. De Eerste Kamer is immers een (indirect) politiek samengesteld college dat zich over wetten buigt die in een politieke omgeving zijn opgesteld. Het probleem ontstaat pas als de Eerste Kamer om politieke redenen haar klassieke taak - het toetsen van wetten aan bovengenoemde criteria - onvoldoende nakomt.

HET ILLUSTREERT eens temeer de onmogelijke positie waarin de Eerste Kamer verkeert. De Kamer bezit het vetorecht, maar de consequenties van dit zeer verstrekkende recht belet de senatoren in zeer veel gevallen hier ook daadwerkelijk gebruik van te maken. Het gevolg is dat senatoren `tegen beter weten in' alsnog met volgens hen ondeugdelijke wetsvoorstellen akkoord gaan en dus hun eigenlijke taak verzaken. Nu dit besef ook bij de Eerste Kamer steeds manifester wordt, kan de discussie over de positie van dit instituut eindelijk een wat minder vrijblijvend karakter krijgen.