Feestelijk uitje naar het bordeel

De realisten waren jarenlang een verborgen, ondergewaardeerde groep in de Nederlandse schilderkunst. Er heerste een richtingenstrijd tussen zij die een herkenbare werkelijkheid (na-)schilderden en de abstracten, die niets van `echt' of `goed gelijkend' moesten hebben en een eigen, alternatieve beeldtaal tot wezenskenmerk van de moderne kunst uitriepen.

Intussen zijn er altijd realistische schilders geweest. De Kunsthal in Rotterdam toont werk van 23 van hen, allemaal geboren na 1950. Er hangen zo'n zeven werken per kunstenaar. Wat ze gemeen hebben is een grote aandacht voor de technische kant van het vak. Daar houdt elke vergelijking op; hoewel elk element op elk schilderij voor iedere leek herkenbaar is als iets uit de werkelijkheid, kijkt een `realist' met net zo'n persoonlijke bril om zich heen als een abstract schilder.

Er worden kleine, hoogstpersoonlijke wereldjes geschapen. Bernardien Sternheim (1948) maakt doeken vol verdriet, zorgen en jaloezie. Ze schildert groepen keurige, niet onbemiddelde lieden die, duur gekleed en keurig gekapt, feestelijk bedoelde uitjes maken naar schouwburg, galerie of bordeel. Overal kijkt iedereen even somber, de weelde om hen heen vervult ze geen minuut. Op 35 jaar Galerie Mokum (1997) heeft Sternheim zichzelf geschilderd, waarschijnlijk naar aanleiding van een echt voorval: ze staat verloren tussen een stelbetweterige, snobistische kunstminnaars, een rood gehandschoende hand peinzend tegen haar kin. Ze staat erin, maar ze wil eruit. Door haar eigen gezicht in een felle volgspot van licht te zetten, vergroot Sternheim de kloof tusen zichzelf en de rest. Publiekslieveling Ans Markus (1947) zoekt in haar schilderijen ook de verwerking van eigen leed – alleen vertaalt ze dit wel heel letterlijk. Het is aardig om haar Vleugellam (1980), dat beroemd werd als omslag van Marijke Höwelers roman Van geluk gesproken, nu eens van dichtbij te bekijken, en Markus' technische kunnen staat buiten kijf. Haar thematiek van in `windsels' (stukken wit doek) gehulde vrouwen die zich monddood en vleugellam voelen, gaat echter gauw vervelen als je het keer op keer moet zien. En de hommages aan Picasso en Dubuffet, op wiens werken Markus respectievelijk inbreekt met nog zo'n ingepakte vrouw en `de hond van haar man', zijn tenenkrommend.

Snel door naar Peter van Poppel (1945), die zijn figuren vervormt tot kindermensen met een roze huid en een veel te groot hoofd. Liefdesportret (1978-1980) is een prachtwerkje. Een blonde vrouw poseert in een stoeltje voor een blauwe houten muur. Ze is thuis: je ziet een theedoek, een bril, ergens bungelt een stekker. En ze zit in haar nakie. De deken om haar schouders valt open en laat haar gedrongen, ronde lijfje vrij. Door het schelle licht en de details die Van Poppel aanbrengt is het een nietsontziend portret, maar de vrouw kijkt ons beheerst, een beetje spottend aan. Ze staat hierboven. Het meisje op Rook/zwemster (1994) is ook zo'n anti-heldin. Haar brede nek en schouders vullen de voorgrond van het doek. Een jaar of tien zal ze zijn, ze is nog lang geen vrouw. Ze draagt hetzelfde zwarte zwempak en witte badmutsje als de meisjes achter haar, die giechelend staan te douchen. Misschien treiteren ze haar wel, omdat ze dik is of niet kan duiken. Het meisje kijkt verdrietig en berustend, maar verraadt niets.

Joke Frima (1952) is een fijnschilder, die op haar olieverven met fotografische precisie op groene gewassen inzoemt. Pompoenplanten, klimop, maïshalmen en lotusbladeren, veel meer is er niet. Dankzij het lage perspectief – Frima lijkt zelf zowat in het gras te liggen – kruip je al snel diep in deze stillevens weg, en verzin je kruippaadjes door het gebladerte. Je kunt erin op pad als in een dichtbegroeide jungle. Hier kan geen foto tegenop.

Tentoonstelling: `Nederlandse realisten na 1950', t/m 26-8 in de Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. Tel. 010-4400300. Open di-za 10-17u, zo 11-17 u. Toegang ƒ15,-, catalogus ƒ 49,50.