Dol op voetbal

Heel wat min of meer intellectueel geschoolden zijn, gezeten op de tribune, dol op voetbal, of op praten over voetbal als een mogelijkheid om ergens bij te horen zonder knellende consequenties. Zo mogelijk bezingen zij deze vrije liefde in gedurfde metaforen waarin elke hoek van het leven, de samenleving of de droefenis van het bestaan mag worden geraakt. Zij hebben hun eigen `wijgevoel'. Zij staan ook (vooral) achter Ajax, of het Nederlands elftal, maar op een ander niveau en op een andere manier dan de supporters die zich dichter bij de Mobiele Eenheid bevinden. Zij brengen bijvoorbeeld een bundel verlate verzetsgedichten uit wanneer Oranje van Duitsland wint. Of overwinnen zichzelf door, nadat `Bayeren Müngen' voor de zesde keer een Europese bekerfinale heeft gewonnen, zelfs toe te geven dat die, overigens natuurlijk onaangename, lui toch wel wat waard zijn.

Maar voetbal is op zichzelf genomen niet dol op intellectuelen. Dat valt enigszins te verklaren uit de omstandigheid dat zij vaak smal van borst en been en groot van hoofd waren en zijn. Daar zit hem vele jaren na het schoolplein wellicht zelfs nog steeds de kneep, terwijl in het voetbal – zeker sinds prof. Rinus Michels dat in 1974 tot een variant op oorlog verklaarde – meestal omgekeerde preferenties gelden. Dat deze Michels en Jan Mulder, ooit WVV, Anderlecht en Ajax, nu spelend voor de Volkskrant en RTL4, destijds in de kleedkamer (,,Zeg trainer, waarom zouden we niet anders spelen?'') niet steeds elkaars vrienden waren, was zogezien logisch.

Een massaal en totaal ander `wijgevoel' hangt in voetbalkantines met hun grote angst voor de stilte die de aanwezigen wel eens tot woorden, of zelfs tot een gesprek, zou kunnen verplichten. Dus davert er, terwijl de bierpompen volop lopen, bijna permanent een zanger van het type André Hazes of, als het nog een klein beetje meezit, de categorie-Lee Towers door de ruimte. Opvolgers van hoempa- en marsmuziek als de mars Koning Voetbal, gericht op een gevoel van `dattemetoffejongenszijnwillenwewehéten'. Die muziek bevestigt als het ware, naar aard en geluidsvolume, het voetbal tussen Vlissingen en Wildervank als volkssport in enge zin, niet alleen op het niveau van betaalde uitblinkers maar ook, en juist, in de veel grotere sector van de honderdduizenden amateurs en hun aanhang. Ook daar staat de oude krijgskundige Michels wekelijks langs de lijn en kan de spits van Dubbeldam 6 zondagmorgen om tien uur beter niet zijn tegenstander van DFC 8 toeroepen ,,prettige wedstrijd'', want dan wacht hem een verwensing (,,krijg de zenuwen, man'', of erger). Het is een beetje de wereld die vroegere dienstplichtige militairen zich herinneren en die met het motto `niet lullen maar poetsen' mooi was samengevat.

Er is in de hoofdgroep-hypocrisie meer veranderd in 's lands grootste tak van sport. De amateurclubs zijn bijvoorbeeld in veel gevallen al lang niet meer verenigingen van mensen die, ongeacht de vraag hoe goed of slecht zij spelen of hebben gespeeld, iets met elkaar hebben, al was het maar zo'n onbestemd en ondefinieerbaar `wijgevoel', dat hen ertoe brengt tientallen jaren lid te blijven. Verreweg de meeste amateurclubs vallen uiteen in een door besturen, trainers en sponsors bijeengesprokkeld hoogste elftal en de rest van de club. Dat sprokkelen van lokale en regionale talenten, met een zak geld boven de tafel en wellicht ook nog een eronder, is mogelijk geworden dankzij de steeds ruimere uitleg van de amateurbepalingen die de voetbalbond goedkeurt of min of meer oogluikend toestaat. In de praktijk betekent dat dat de club die de beste `onkostenvergoedingen' biedt de beste spelers kan `aantrekken' en daardoor op den duur in de hoogste amateurklassen belandt. In mei, de maand waarin de `overschrijving' van een speler naar een andere club moet worden gemeld aan de KNVB, vinden taaie gevechten plaats op de `amateurtransfermarkt'. Wie zo wil kan die gevechten op 1 juni aardig reconstrueren in plaatselijke kranten, die dan over hele of halve pagina's berichten welke `kanjers' overgaan naar welke andere clubs. In de Haagsche Courant van 1 juni bijvoorbeeld is te lezen dat veel amateurclubs, niet alleen hoofdklassers maar ook eerste-, tweede- en derdeklassers, erin zijn geslaagd elders groepen spelers ter grootte van een compleet elftal te acquireren. Een zelf op dit terrein actieve kenner rekende me voor dat in de tweede klasse en hoger geen amateurspeler meer te `halen' valt voor minder dan 10.000 gulden per seizoen (onkosten naast de zogenoemde wedstrijdpunten). Mijn bezwaar dat het dan hypocriet is om te doen alsof het nog om amateursport gaat, en dat amateurverenigingen overigens toch moeten drijven op de veelbezongen creatieve zelfwerkzaamheid van hun leden (van de kantinediensten en het maken van een clubblad tot het jeugdwerk en het trekken van kalklijnen), zag hij als ouderwets en onpraktisch. ,,Iedereen doet het. Als je niet meedoet, tel je een paar jaar later ook niet meer mee'', zei hij bezwerend. Hij zei erbij: ,,Jij wilt graag aardig voetbal zien maar je weigert te begrijpen dat dat alleen kan wanneer wij liberaal genoeg omgaan met de amateurbepalingen.'' En dacht er vermoedelijk bij: je bent zelf hypocriet, man.

Bijna elke Nederlandse sportliefhebber breekt de staf over buitenlanders die op het gebruik van doping worden betrapt, zeg over coureurs als de Fransman Virenque of de Italiaan Pantani. Maar wanneer het Nederlanders betreft, zoals in het geval van de gewezen TVM-ploeg, waarvan de ploegarts met een lading EPO de grens over wilde, geldt de verontwaardiging eerder de hardvochtige Franse justitie. In het nandrolon-geval van de Oranje-voetballers Davids en De Boer valt ook zoiets op. Over dat middel, en de controles, hoor je allerlei nadere kritische overwegingen van Nederlandse kant waarover je vroeger weinig vernam. Hoort dat erbij, of is dat hypocriet? Nee, die twee horen in de sportwereld bij elkaar als kip en ei.