Bommen los

Naar het schijnt zijn de Japanners in de nieuwe oorlogsfilm Pearl Harbor geen grijnzende apen, geen fanatieke kamikazes, maar gewone mensen, die er ook maar het beste van proberen te maken onder moeilijke omstandigheden – wat natuurlijk nog geen reden is om ze niet dood te schieten als je de kans krijgt.

Ian Buruma gaf in het Cultureel Supplement van vrijdag jl. een mooie, kritische analyse van deze nieuwe blockbuster uit Hollywood, die 135 miljoen dollar heeft gekost en onlangs in première ging op het vliegdekschip John C. Stennis in Pearl Harbor (extra kosten: naar verluidt 3 miljoen dollar voor de Amerikaanse marine, hapjes en drankjes voor rekening van de firma Disney). De film is, teken des tijds, een onbekommerde lofzang op de moed en heroïek van de zeelieden die op 7 december 1941 het slachtoffer werden van een Japanse verrassingsaanval. Alles staat hier in het teken van belangeloze moed en opofferingsgezindheid; de tijden van de moralistische `anti-oorlogsfilm' lijken lang vervlogen.

De ironie wil dat onlangs in een andere havenstad, Cannes, een verlengde versie in première ging van Francis Ford Coppola's Apocalypse Now, de meest geprezen film die is voortgekomen uit de oorlog in Vietnam, een moreel veel minder eenduidig conflict dan de Tweede Wereldoorlog. Coppola's hallucinerende verslag van een missie om een gestoorde Amerikaanse officier te liquideren, wordt al op één lijn gesteld met epen als de Gilgamesj of Odyssee.

De tegenstellingen tussen beide verbeeldingen van oorlog zijn even monumentaal als de films zelf: de eerste een patriottische lofzang, de andere vol morele en psychologische doolhoven en twijfels aan de grens tussen normaliteit en waanzin. Coppola's meesterwerk is een reflectie van de turbulente jaren zeventig, en zo lijkt Pearl Harbor de neerslag van het welvarende onbehagen en de behoefte aan heroïek van de jaren nul van het nieuwe millennium. In de film kregen we eerder al het quasi-religieuze motief van Saving Private Ryan (ten minste één zoon moet worden gered), waarmee Steven Spielberg zijn filmische portret van de menselijke nazi Schindler een Amerikaanse variant gaf.

Neem ook eens een kijkje in Amerikaanse boekwinkels. Onbezorgd patriottisme ligt er metershoog opgetast. Ongekend is het succes van The Greatest Generation door de tv-journalist Tom Brokaw, een sentimentele ode aan de generatie die opgroeide in de crisisjaren, daarna het land en de vrijheid verdedigde in de Tweede Wereldoorlog, en vervolgens door de lichtzinnige opwinding van de jaren zestig in de hoek werd gezet als een amorfe `zwijgende meerderheid', een verzameling uitgebluste, bierdrinkende Archie Bunkers.

Brokaw heeft die generatie bijna eigenhandig gerehabiliteerd. In Washington komt een monument voor veteranen van de Tweede Wereldoorlog, met bronzen adelaars, fonteinen en 56 zuilen (kosten: 160 miljoen dollar, iets duurder dan een film). Een `veteraan' is weer een held, na de archetypische drugsverslaafde en maatschappijkritische Vietnamveteraan in een rolstoel. Tegelijk rolt een hausse aan militaria door de boekhandels, en opnieuw vooral over de Tweede Wereldoorlog – de `goede oorlog', in de woorden van de journalist Studs Terkel. Uit inhoud, moraal en zelfs titels van de boeken (A War To Be Won, heet een nieuw militair standaardwerk) spreekt de opluchting dat de nationale zelfkwelling van het Vietnamtijdperk tot het verleden behoort.

Interessant is dat het bij die verering van een complete generatie niet gaat om grote, historische figuren – die zijn allemaal al onderwerp van serieus historisch onderzoek en worden de een na de ander ontdaan van hun grootsheid – maar om gewone burgers. Het eerherstel van de zwijgende meerderheid is een democratisch en weinig riskant eerherstel, namelijk voor niemand in het bijzonder. Zoals ook de vijand in de nieuwe oorlogsfilm niet speciaal een bepaalde buitenlander of concurrent is, maar ook, gewoon, niemand in het bijzonder. Waarom die hang naar heldhaftige nobody's? Omdat, het ligt voor de hand, we zelf doorgaans zulke onheroïsche nobody's zijn?

Als film niet zomaar een onthechte esthetische exercitie is, maar ook op een of andere manier een maatschappelijke werkelijkheid – of wensdenken – weergeeft (zoals de crisisjaren zeventig rampenfilms kenden vol afbrandende wolkenkrabbers en de yuppie-jaren tachtig wemelden van de Rambo's en gestoorde carrièrevrouwen), dan zegt dit ongerichte, niet-fanatieke patriottisme ook iets over deze tijd. Er is meer in te zien dan tijdloos escapisme. Francis Fukuyama voorspelt in The Great Disruption de behoefte aan maatschappelijke heling in de westerse samenlevingen, na de `grote scheuring' van de jaren zeventig, en de droomfabriek aan de Westkust lijkt hem gelijk te geven.

In de nieuwe oorlogsfilms is het Systeem niet fout of gestoord – zoals in Apocalypse Now – maar goed, en hooguit in handen van de verkeerde mensen. Zie voor het laatste die andere succesvolle hakfilm, Gladiator, waar het Romeinse Rijk wordt verkwanseld door een incestueuze homo (ook een leerzame obsessie van deze tijd). Niet alleen is het Systeem goed, het wil ook helemaal niet dat er oorlog komt. Oorlog overkomt ons. De crux van Pearl Harbor is: een verrassingsaanval, waar hebben we dat in godsnaam aan verdiend?

Nu de Koude Oorlog is gewonnen en de vijand geen gezicht meer heeft, wordt oorlog een natuurkracht die je raakt vanuit een onverwachte hoek. Vandaar dat deze films en boeken zo lijken op een ander genre dat tegenwoordig in elke vliegveldkiosk te krijgen is: de heldenverhalen over groepjes mannen ter zee, die het vege lijf moeten redden temidden van rukwinden en ander natuurgeweld. Lees The Perfect Storm (succesvol verfilmd) van Sebastian Junger, waarin een groep stoere vissers het aflegt tegen een golf – een nobele dood, en de vraag of het besluit van de macho-kapitein om het weerbericht te negeren nu wel zo verstandig was, is opeens taboe. In het boek wordt uitvoerig beschreven hoe het voelt om te verdrinken – de ultieme nederlaag tegen een overmacht.

In plaats van de strijd tegen een vijand die het slechtste voor heeft met de wereld, gaat het hier om doorzettingsvermogen in het zicht van onverwachte tegenslagen: John Wayne op de AEX-index. Zo is de huidige oorlogsfilm een warm spiegelbeeld van de kille competitiesamenleving. In vredestijd wordt geconcurreerd tot we erbij neervallen, maar in de oorlog lonken coöperatie en broederband, en worden we eindelijk bevrijd van dat altijd maar onbevredigde en om zelfontplooiing zanikende ego. Vrede is hell, kortom, goddank heeft Disney de oorlog ontdekt.