Armoede nam niet af door banen

De grote toename van het aantal banen in de jaren negentig heeft de armoede niet doen afnemen. Het paarse kabinet heeft zijn hoofddoel `werk, werk en nog eens werk' wel waargemaakt, maar de positieve sociale effecten hiervan vielen tegen.

Dat is de conclusie van het vandaag verschenen rapport Over werken in de postindustriële samenleving van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). De werkgelegenheid is tussen 1990 en 2000 in een recordtempo gegroeid. Er kwamen 1,3 miljoen banen bij, een groei van 23 procent. Deze banen kwamen echter nauwelijks terecht bij de mensen uit een huishouden dat onder of rond het sociaal minimum leefde, maar vooral bij herintredende vrouwen en jongeren. Bij slechts één op de zes à zeven arme huishoudens slaagt er jaarlijks een volwassene in om aan het werk te komen. Het aandeel huishoudens zonder arbeidsinkomen, ofwel de `nulverdieners' die afhankelijk zijn van een sociale uitkering of een pensioen, daalde van 40 procent in 1990 naar 39 procent in 1997. Bij mensen onder de 65 jaar daalde het aantal `nulverdieners' in deze periode van 23 tot 22 procent.

De conclusie van SCP-onderzoeker P. de Beer, die vandaag promoveert, komt overeen met de uitkomsten van de `armoedemonitor' die in oktober vorig jaar uitkwam. Onderzoekers van de Erasmusuniversiteit en het SCP stelden daarin dat armoede ,,een akelig stabiel probleem'' is. Het aantal `minimumhuishoudens' nam tussen 1990 en 1998 toe van 606.000 naar 673.000. De harde kern van `arme' gezinnen bestaat volgens de armoedemonitor uit circa 250.000 huishoudens: zij moeten langdurig rondkomen van een minimuminkomen.

Om de sociale ongelijkheid en de armoede aan te pakken, dient volgens onderzoeker De Beer niet meer alle heil te worden verwacht van een groei van de arbeidsdeelname. Om de inkomensverschillen terug te dringen zou volgens hem de inkomenspolitiek weer meer een centrale plaats in het sociaal-economisch beleid moeten innemen, ofwel uitkeringen zouden hoger moeten en belastingen voor de laagbetaalden lager. Want zolang eenderde van de Nederlandse bevolking afhankelijk is van een sociale uitkering, heeft een relatief kleine verandering in de hoogte van de uitkeringen meer invloed op de omvang van de armoede dan groei van de arbeidsparticipatie, aldus De Beer. Het beleid zou volgens hem gericht moeten zijn op groei van de arbeidsproductiviteit.