WINDENERGIE

In W&O van 26 mei bespreekt Robert van der Veen twee publicaties over windenergie. De rationele strekking van het betoog valt wellicht het beste samen te vatten als `windenergie is geen wondertechnologie'. Hiermee valt te leven. Het is jammer dat Van der Veen, deels bij monde van ir. J. Halkema, onnodig laatdunkend is en onjuiste uitspraken doet.

Zo verwart hij de begrippen productiefactor en rendement. Het is waar dat de productiefactor van windturbines, het jaargemiddeld geleverde vermogen als fractie van het maximale vermogen, zo'n 20 tot 25 procent bedraagt. Een forse windturbine – met een maximaal vermogen van 1500 kW – levert gemiddeld dus zo'n 300-375 kW. Dit zou volgens Van der Veen niet meer zijn dan wat de motor van een middenklasseauto genereert. Mijn informatie is dat het motorvermogen van een middenklasser ongeveer 60 kW bedraagt – toch al een fors verschil. Maar die automotor draait niet de hele dag. Normaal is dat de auto gedurende zo'n drie uur per dag gemiddeld op, zeg, 50 procent van het maximale vermogen draait, oftewel een productiefactor van 6,25 procent heeft. Het gemiddelde vermogen is dan 3,75 kW: éénhonderdste van die van een forse windturbine.

Afgezien van de getalsmatige verhoudingen is een essentieel verschil natuurlijk dat de automotor fossiele brandstof verbruikt en de windturbine niet.

Wat het artikel verzwijgt is dat niemand windenergie presenteert als technologie die alle elektriciteitscentrales wel eventjes zal vervangen. Windenergie is één van de vormen van duurzame energie die, gebruikmakend van hernieuwbare energiebronnen, een steeds groter deel van de energievoorziening voor hun rekening zullen nemen.

De emotionele strekking van Van der Veens betoog is zijn associatie van (gebrek aan) leveringszekerheid van duurzame energie met `een combinatie van een milieuramp, een hongerwinter en een watersnood'. De verleiding is groot om in eendere stijl af te sluiten (de leveringszekerheid van de zeer voorspelbaar opererende Californische centrales is een flauwe, `1973' is geijkt en `Vecht u ook in de volgende Golfoorlog?' een goede). Ik laat het erbij dat een onderwijzend betoog meer oog moet hebben voor wezenlijke gegevens en nuance.