`We gaan niet dapper doen, dom dapper'

Op een geluidsband legde vakbondsleider Fred Derby een verklaring af over de Surinaamse decembermoorden in 1982. De band mocht pas na zijn dood, twee weken geleden, afgeluisterd worden. `Het is een misdaad als ik dit verhaal voor mezelf houd.'

In de nacht van zeven op acht december 1982 werden in Paramaribo zestien vooraanstaande Surinamers van hun bed gelicht en naar het beruchte Fort Zeelandia overgebracht. Daar werden ze aan de toenmalige bevelhebber Desi Bouterse voorgeleid. Een etmaal later waren er vijftien van hen dood.

Eén gevangene ontsnapte aan dat lot. Fred Derby, de vakbondsleider en politicus. Hij werd ongedeerd vrijgelaten.

Twee weken terug stierf Fred Derby, inmiddels 61 jaar, tijdens een zaterdags partijtje voetbal. In Suriname kreeg hij een staatsbegrafenis. Desi Bouterse tekende het condoleance-register.

In april van het afgelopen jaar sprak Derby in detail over de gebeurtenissen van acht december. Toen liet hij zijn herinneringen op de band vastleggen. In die dagen dreigden de decembermoorden te verjaren. Mocht het niet tot een proces tegen Bouterse komen, dan zou Derby's getuigenis in elk geval ooit gehoord kunnen worden.

In zijn verklaring op de band zegt Derby dat hij het als een `doodzonde' en een `misdaad' zou beschouwen als hij zijn verhaal van acht december voorgoed voor zich alleen zou houden. En dus vertelde hij wat hij in die voor Suriname zo traumatische dagen meegemaakt heeft – onder het voorbehoud dat zijn verhaal pas na zijn uitdrukkelijke toestemming of anders na zijn dood gepubliceerd zou worden.

Afgelopen woensdag liet het televisieprogramma 2Vandaag al enkele fragmenten uit Derby's postume getuigenis horen. Ze rekenden faliekant af met Bouterse's verweer dat hij op het moment van de moorden niet in het Fort aanwezig was. En wie de hele verklaring van Derby beluistert kan tot geen andere conclusie komen dan dat hij, Desi Delano Bouterse, de hoofdverantwoordelijke is voor de misdrijven die toen gepleegd zijn.

Op de band vertelt Derby dat hij sinds 1982 ,,de hele tijd heeft geleefd met het gevoel dat ik dood had moeten gaan, dat ik de zestiende was die vermoord had moeten worden''. En dan vertelt hij chronologisch wat hij in het Fort Zeelandia heeft gezien, gehoord en aan den lijve ondervonden.

Fred Derby: ,,Ik ging in de nacht van zeven december om half twee naar bed. Om half drie hoorde ik gerommel op het erf. Men begon aan mijn poort te rammen. Ik werd wakker, iedereen werd wakker, mijn kinderen ook. Ik zag een auto aan de poort staan en ik zag twee mensen op het erf lopen. Ik vroeg ernaar en het bleek dat een van hen Benny Rozendaal was.'' Rozendaal was een militair, een van de zestien onderofficieren die twee jaar eerder met Bouterse een staatsgreep gepleegd hadden. ,,Ik vroeg Rozendaal wat ik voor hem kon doen. Hij zei dat de bevelhebber mij wilde spreken en hij vroeg mij of ik mee wilde komen. Ik zei, op dit uur van de avond, dat gaat niet kunnen. Hij zei, ik zou u willen aanraden om mee te gaan.''

,,Terwijl ik met hem sprak zag ik een van de heren mijn telefoonverbinding doorknippen en ik zag dat die mensen zwaar gewapend waren. Dus ik wist dat er niet iets normaals aan de hand was. Ik zei, nou, laat mij dan even iets aantrekken, maar Rozendaal zei, nee, u kunt zo. Dus ik ging een broek aantrekken, maar ondertussen was hij al helemaal boven voor de kamerdeur. En ik was mijn slippers vergeten.'' Pas toen begreep Derby dat hij werd opgehaald en dat het ,,geen vrije toestand was van je kan komen of niet''. Zijn oudste dochter stond op het balkon en riep: ,,Wat is dat voor onbehoorlijkheid dit uur van de nacht.'' ,,Ze pakte mijn slippers en gooide die naar beneden voor me. Ik had nog net een hemd en die broek kunnen aantrekken.''

Zeer ruw

Derby zegt dat hij een arrestatie absoluut niet verwachtte. Hij was, zegt hij, namens de vakbond juist met Bouterse in dialoog om de gespannen toestand in het land te ,,normaliseren''. Hij had zich ook niet aangesloten bij de grote stakingen en demonstraties die er in die dagen tegen het Bouterse-regime werden gehouden.

In de auto, bestuurd door Esajas, een andere couppleger, vroeg Derby: ,,Wat is er zo urgent dat ik op deze manier, zoals mijn dochter terecht zegt, uit mijn familie wordt weggerukt?'' Dat kreeg hij niet te horen. ,,Ja, de bevelhebber wil mij spreken. De bevelhebber zal het lme uitleggen.''

In het fort werd hij overgeleverd aan twee andere coupplegers, Bhagwandas en Brondenstein. ,,Ik moest mijn kleren uittrekken, mijn sieraden weghalen, mijn ketting neerleggen, mijn ring afdoen, ik moest in mijn onderbroek blijven en ik werd meegenomen naar een cel.'' Het was een soort luchtruimte, van boven open. ,,Je kon een draaitrap zien die naar boven ging en als je die opging kwam je direct in de kamer van Bouterse. Vanuit de cel kon je zijn rug zien.'' In de cel trof Derby zes anderen aan. ,,Het was donker, je mocht niet praten, boven ons hoofd liepen militairen, jonge jongens die zeer ruw waren en die ons dingen naar het hoofd slingerden.'' Later begon het te schemeren en kon Derby zien wie de andere mensen waren met wie hij in de cel gezet was. Vier vooraanstaande advocaten, Riedewald, Goncalves, Hoost en Baboeram, tegenstanders van Bouterse die ook opgehaald waren en twee journalisten, Ampie Kamperveen en Jozef Slagveer.

Derby: ,,Niet veel later werden Rambocus en Sheombar letterlijk de cel binnen gegooid.'' Zij waren militairen die eerder dat jaar een mislukte coup tegen Bouterse gepleegd hadden. Nog twee gevangenen werden binnengebracht. Frank Wijngaarde, een journalist met een Nederlands paspoort en Cyril Daal, de leider van de grootste vakbond. Derby: ,,Toen waren we met ons elven.'' De andere vijf gevangenen werden opgesloten in het gebouw van de militaire politie. ,,Cyril kwam naast mij staan en huilde, we leunden met ons hoofd tegen de muur want je mocht niet staan of liggen tegen die muur en hij zei, de jongens zijn in de stad aan het schieten, wat denk je, Fred? Ik zeg, laten we bidden Cyril, en je moet tot jezelf praten dat ons niks zal overkomen. Hij zei, de jongens gaan ons doodschieten. Ik zei, ik denk het niet, Cyril, we zijn niet met kwade dingen bezig, we staan niemand naar het leven.''

Rambocus trotseerde de militairen. Hij riep dat Bouterse een lafaard is die ,,ons allemaal'' gaat vermoorden. ,,De militairen boven ons riepen, houd je bek. Rambocus zegt, jongens, jullie weten niet eens wat er aan de hand is. Zeg aan je baas dat hij laf is. Laat hij die arme burgers wegsturen en laat hij mij een uzi geven. Dan neemt hij er ook een, dan gaan we op het plein waar de vlag gehesen wordt en dan gaan we dit ding uitvechten daar, als hij wil. De jongens roepen, we gaan je laten dippen [opdrukken, red.], vijftig maal, en Sheombar roept, al wil je tweehonderd maal, je baas kan het niet eens vijftien maal.''

De andere gevangenen waren stil en bang. Derby dacht, als ze ons gaan fusilleren doen ze dat bij de vlaghijsing in de morgen. ,,Dus toen dat moment voorbij was, was ik een beetje opgelucht.''

Kort daarna, het zal half negen geweest zijn, wordt de deur ruw opengegooid. ,,Drie of vier jongens komen binnen, jij, jij, jij, zeggen ze, Daal, Rambocus, Sheombar, Kamperveen en Slagveer. Echt hardhandig werden ze naar buiten gesleurd en over die draaitrap naar Bouterse gebracht. Niet lang daarna hoorden we schoten vallen. Gericht vuur, parraprrprrrprr, van dichtbij.''

In de cel waren de mannen ervan overtuigd dat de vijf doodgeschoten waren. ,,De hel brak los. Het was geen grote ruimte daar, maar het werd meteen één geren. Wij mensen zijn niet meer dan ontwikkelde dieren. Iedereen begon rond te rennen in de hoop zichzelf te redden. Terwijl ik rende zag ik Baboeram tegen de muur staan, de stenen muur en terwijl hij bad begon hij met zijn hoofd tegen die muur te slaan tot bloedens toe.''

Schelden

Vol angst zagen ze de deur opnieuw opengaan. ,,Mijnheer Derby!''

Fred Derby: ,,Ik ging zitten op de grond. Ze tilden mij op onder mijn beide armen en zo werd ik meegenomen. Ik ben die trap niet zelf opgeklommen. Op een gegeven moment was ik in de kamer van Bouterse. Hij stond op van achter zijn bureau. De mannen meldden zich af en Bouterse zegt, zo mijnheer Derby, komt u, gaat u zitten. Zeer formeel. Terwijl hij de eerste stappen maakt hoor ik een man de trap oprennen. Met veel tumult en schelden en tamtam maken komt die man naar boven. Plotseling zie ik, het is Bhagwandas. Hij gaat tekeer tegen Bouterse. We hadden afgesproken, zegt hij, dat deze rotzooi op moet houden. Iedereen moet eraan!'' Bouterse draagt hem heel formeel op naar beneden te gaan. Razend en tierend gaat hij.

Derby: ,,Jij bent de enige die naar boven gebracht wordt, en daar gaan twee mannen bakkeleien over je leven alsof het een gewone zaak is. Waar ik bij sta! Het hoogste goed door God jou gegeven daar praten die mannen over alsof ze praten over knikkers!''

Als Bhagwandas weg is zegt Bouterse, gaat u zitten, mijnheer Derby. ,,Hij zegt, heeft u nu gezien wat er gebeurt in dit land? Ik heb zoveel keren gewaarschuwd dat burgers moeten weten dat ze met militairen te doen hebben. En kijk nu eens wat er gebeurt. Radiostations worden opgeblazen, dat soort toestanden. Ik begreep toen wat er aan de hand was en ik huilde, ik huilde constant. Bouterse sloeg met zijn vingertoppen zo op tafel, kijk nou eens wat er gebeurt. Hij zegt, ik heb het je gezegd en kijk nu eens, ik heb de zaak niet meer in de hand. Ik zei, kan iemand mij zeggen waarom ik hier ben? Wat heb ik misdaan? Wij zijn in dialoog. Mijn vakcentrale is met u in dialoog! Bouterse staat op en hij zegt, heb je gezien wat Bhagwandas hier allemaal aan mij zegt? U gaat weer naar beneden. Hij roept de jongens en ik ga naar beneden, de cel weer in.''

Derby onderbreekt zijn relaas uit vrees dat hij al te zakelijk overkomt. Het moet niet lijken, zegt hij, alsof hij daar in zijn onderbroekje gewoon in discussie was met Bouterse. ,,Het is snikken en huilen'', zegt hij, ,,iedereen begreep, het gaat om mensenlevens. Niemand hoeft te zeggen: we hebben niet gehuild en dat soort toestanden. We gaan niet dapper doen, dom dapper.'' Daarom, zegt hij, vindt hij Bouterse zo laf. ,,Wanneer hij later op het podium zegt, mensen doen stoer maar ze zijn niks stoer en dat soort dingen, ja, dat kunnen we allemaal zolang je eenrichtingsverkeer hebt. Jouw kogels komen van één kant uit. Dat kunnen we allemaal, die ene kant is Rambo, geweldig. Maar de andere kant zijn makke lammetjes die eerst mishandeld worden en daarna doodgeschoten.''

Terug in de cel vroeg Hoost wat er aan de hand was. ,,Ik kon hem iets toefluisteren maar van echt vertellen kwam het niet. Hoost werd opgehaald en ook weer teruggebracht. Hij fluisterde dat hij Bouterse aangeboden had om het land te verlaten.''

Derby: ,,Hoe langer de dag vorderde, hoe meer je zag dat de jonge militairen gerookt hadden of veel alcohol hadden. Die jongens waren niet zichzelve, ze waren razend. Hoost zei, ik heb dorst, kan ik een beetje water krijgen? Die jongens schreeuwden gewoon toen, mensen die we straks dood gaan schieten, zeiden ze, die behoeven geen water, dat is vermorsen van water.

,,Het werd een uur of acht, negen 's avonds, dat betekent, je hebt vanaf half drie in de nacht geen water gedronken, je hebt niet gegeten, je bent niet naar het toilet gegaan, je kan niet plassen, niks, en de hele dag waren er schoten.''

Tegen half negen die avond wordt Derby voor de tweede keer aan Bouterse voorgeleid. Bouterse vraagt waar kapitein Horb is, zijn tweede man. Ze gaan hem halen. ,,Al die tijd dat we op hem wachten heeft Bouterse geen woord gesproken.'' Als Horb binnenkomt zegt Bouterse, gaat u zitten. ,,Hij zegt, luister kapitein, ik heb besloten om de heer Derby naar huis te sturen. Heeft u iets te zeggen? Horb zegt, nee, nee, ik heb niets te zeggen. Bouterse vraagt mij, waar is je broek? Ik heb gezegd, ik weet het niet. Bhagwandas heeft die beneden afgenomen. Bouterse zegt, ga hier op het balkon en zoek je broek uit. Ik ga daarnaartoe en terwijl ik mij buk om mijn broek te pakken, ik huilde constant hoor, zie ik twee mensen, liggend tegen die muur geleund en dat waren Slagveer en Ampie Kamperveen. Nu weet ik niet of dat lijken waren of dat ze toch nog leefden.''

Derby vond zijn broek en zijn hemd met schaakmotieven, ,,ik heb niet eens goed gekeken''. Hij trekt ze aan en Bouterse zegt, goed ik stuur je naar huis maar zou je ook iets willen zeggen? ,,Toen zei ik ja, ik zei, ik heb nog een leven voor me, ik wil niet doorgaan als een lafaard. Ik heb daar vanaf half drie uren doorgebracht met die mensen, ik denk niet dat ik wegga zonder te vragen en te bidden, al moest ik op mijn knieën gaan, en ik ben bereid, Bouterse zei nee, nee, nee, ik ging al op mijn knieën om die mensen ook naar huis te laten gaan. Als u van oordeel bent dat deze mensen moesten weten waar de macht is, dan is dat duidelijk geworden vandaag. Terwijl ik zo sprak vroeg Horb, over wie praat hij toch, wie zijn die mensen daar? Hoost? Is die er nog? Ik had gedacht...'' en toen haalde Bouterse een papiertje uit zijn zak, hij keek erop, hij zei tegen Derby, jij wordt naar huis gebracht, en toen zei hij niets meer en niet veel later was Hoost ook dood.

Aan de poort van het fort kwam Derby de linkse burgerpolitici tegen die vonden dat de militairen goed werk aan het doen waren. Dick de Bie, de regeringswoordvoerder en Palu-leiders Krolis en Alibux die kort daarop premier zou worden.

Pantserwagen

De volgende morgen, Derby's hele erf zit vol mensen, stopt er een pantserwagen voor de deur. Derby dacht dat ze een fout met hem gemaakt hadden en dat ze die kwamen corrigeren. Horb stapt uit en zegt, nee, nee, nee, ik kom alleen vragen of u straks even bij mij langs wil komen. Ik zeg, ik moet nog iets doen. Ik ben naar mijn vakbondcentrum gegaan om de premier, Neyhorst, te bellen. Bij mij thuis waren de telefoondraden doorgesneden. Ik zeg tegen de premier, wat de mensen ook zeggen, er zijn mensen doodgegaan. Ik ga u niet zeggen dat ik mensen heb zien fusilleren want dat heb ik niet gezien, god zij dank. Ik heb niemand dood zien schieten. Maar ik heb met de mensen in één ruimte gezeten, mensen zijn op brute wijze weggehaald en ik heb schoten gehoord en de mensen zijn niet meer teruggebracht. Ik wil u zeggen dat u erop uitgaat want ik denk dat mensen dood gaan. Terwijl ik bezig ben zo te vertellen gooit hij met de telefoon en hij begint te huilen, ik weet niet wat hij daar allemaal deed, ik hoorde hem nauwelijks meer.''

Bij Horb kreeg Derby een papier voorgelegd. Daarop stond dat er vliegtuigen overgekomen waren en dat er aanvallen gepleegd waren op het fort vanuit de lucht. En dat de gevangenen daarop gevlucht waren en op de vlucht doodgeschoten. Bouterse wilde dat Derby dat papier las, waarschijnlijk om hem die versie te laten bevestigen en hem zo als dekmantel te gebruiken voor de moorden.

Derby las het papier en zei: ,,Mijn hoofd rammelt aan alle kanten. Niks is bij elkaar. Ik kan hier niet over oordelen.''

Later hoorde hij dat de slachtoffers in hun borst waren geschoten.

,,Ik heb nooit gehoord dat mensen achteruit wegrennen.''

DECEMBERMOORDEN: via www.nrc.nl/Doc