Vriendelijke scheikunde zonder valkuilen

De mavo deed gisteren examen scheikunde. Karel Knip, redacteur van NRC Handelsblad, zoekt nerveus de Vreselijke Vraag.

Het afgebroken huis, de overleden ouders en het eindexamen, dat zijn de dingen waar een mens van droomt als de nacht niet meevalt en van die drie is het eindexamen het vreemdst. Want de dromen komen ook als het examen goed ging. Alleen al de angst voor het falen kan een leven lang blijven spoken.

Moeiteloos wekken de mavo-examenvragen scheikunde weer die wurgende beklemming van destijds: de vrees dat er te weinig tijd zal zijn, het aarzelen tussen direct bij het begin beginnen en rustig van voor naar achter werken of even verder kijken of niet ergens halverwege een Vreselijke Vraag is opgenomen die alle resterende tijd zal opslorpen. Dus uiteindelijk toch even nerveus bladeren en al bij vraag zes een periodiek systeem in stripvorm tegenkomen waar geen touw aan vast te knopen lijkt. En dus maar weer snel naar voren. Eén ding ontbreekt: uitzicht op die leerlingen die al kalm aan het werk zijn en zich in hun arrogante kalmte al tot aan die vraag zes gewerkt hebben.

Bij nadere beschouwing is het scheikunde-examen een vriendelijk examen dat, zo te zien, nergens valkuilen en voetangels bevat. Veel multiple choice, maar gelukkig met heldere keuzen die elkaar volledig uitsluiten, veel kleine weetjes van het soort dat je ook hoort te weten en verder wat vragen waarvan het antwoord al min of meer in de vraag besloten ligt (eerst vertellen dat water met carbid een brandbaar gas vormt en dan vragen waarom je carbid niet met water moet blussen). En natuurlijk de onvermijdelijke begripsvragen die je probleemloos zou kunnen doorschuiven naar een ander vak, zoals het aflezen van de grafiek waarin de productie van waterstof is uitgezet.

Het staat wel vast dat de vragen waarin gerekend moest worden (hoeveel waterstof komt vrij als 101 milligram magnesium reageert met voldoende zoutzuur, hoeveel calcium zit er in water waaraan 100 milligram calciumchloride is toegevoegd) de meeste moeilijkheden opleverden. Atoomgewichten opzoeken, weten wat een grammolecuul is: je vraagt je af hoeveel trouwe lezers van het wetenschapskatern van de NRC dat nog tot een goed einde brengen.

Voor wie er niets van afhing was het wel een aardig examen. De vragen bestreken een breed gebied en sloten, door het gebruik van krantenberichten (afval van Fuji reinigt rioolwater, chemietrein uit de rails) redelijk aan bij de actualiteit, al kwam het carbid een beetje uit de oude doos. Het gas dat carbid vrijmaakt is acetyleen, of formeel: ethyn. Dat is een alkyn en geen alkeen.

Ook de vraag over het magnesiumlint deed wat ouderwets aan, het lint werd vroeger (voor de tweede wereldoorlog) wel gebruikt als Blitzlicht bij het fotograferen maar is nu nergens meer te koop. Waarschijnlijk slijt het zijn laatste dagen in het kabinet van het scheikundepraktikum, naast dat klontje carbid dat ongeveer even oud is.

Kennelijk kost het toch nog wat moeite of verbeeldingskracht om vragen te verzinnen die direct aansluiten bij ervaringen van alledag, terwijl er toch genoeg is: het elektrisch effect van zilverpapier op de amalgaamvullingen in de mond, het vonken van vuursteentjes, de witte uitbloei op muren, het groen worden van eieren, het bruin worden van zilver, bakpoeder dat kooldioxide vormt, gaten in aluminium pannen, de kleur van rode kool, suikergehalte van cola, de zuurgraad van citroen of zure regen, de ammoniakgeur van oude urine en noem maar op. Maar misschien is dat wat al te huiselijk.