Toekomstvisies en politieke luchtkastelen

Het brutaalst was Gerhard Schröder, het meest behoudend Tony Blair. De ene na de andere Europese leider spreekt over de toekomst van de Europese Unie. Waarom?

Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, heeft niet te klagen. Amper en jaar na zijn geruchtmakende oproep tot ,,fundamentele hervorming'' van het Europese bestuur hebben alle politieke zwaargewichten gereageerd.

Het brutaalst was zijn landgenoot Gerhard Schröder, de kanselier. Die stak verrassend ver zijn nek uit met een pleidooi voor beteugeling van macht van de lidstaten ten faveure van de Europese Commissie. Dat nooit, reageerde Parijs. Stel je voor, de President van de Republiek en de premier van Malta als gelijkwaardige partners naast elkaar in een soort Senaat! Onbestaanbaar!

De indrukwekkende respons zegt behalve over Fischers gevoel voor timing, ook iets over de urgentie van het probleem: de dubbele spagaat waarin de Europese Unie is beland. Enerzijds is er het aanstekelijke succes van vrede en welvaart (binnenkort bekroond door de euro), dat – paradoxaal genoeg – de politieke ambities steeds verder opschroeft: de oostwaartse uitbreiding met een dozijn lidstaten, de eigen militaire interventiemacht, het streven binnen tien jaar de meest concurrerende regio ter wereld te zijn, en zo verder.

Aan de andere kant dateert de bestuurlijke inrichting nog goeddeels uit de tijd van het Europa-van-de-Zes, met navenante gebreken in democratie en engagement. Zoals de Franse president Jacques Chirac onomwonden toegaf: ,,Het Europese bouwwerk is te veel een zaak geweest van alleen leiders en elites.'' Crisis is een groot woord, maar dat het schort aan doelmatigheid en besluitvaardigheid betwist niemand. Als de Unie straks 27 lidstaten telt die over een gewichtig onderwerp allemaal tien minuten hun (eerste) zegje doen, dan is men al drie uur bezig.

Tegen deze achtergrond van pretenties en beperkingen dringt zich onontkoombaar de vraag op: Hoe nu verder en waarheen?, zegt directeur Alfred van Staden van het Nederlands instituut voor internationale betrekkingen `Clingendael', dat hierover onlangs een bundel beschouwingen (Europa onvoltooid?) uitbracht.

Om vat op het toekomstdebat te krijgen hanteert Van Staden een klassiek instrument: de matrix. Daarin gaat, beseft hij, wel eens een detail verloren, maar voor het scheppen van overzicht is het een probaat middel. De kernvragen gaan over de verdeling van taken en bevoegdheden tussen de lidstaten en `Brussel' (dikke of dunne EU-agenda), en over het zwaartepunt in de besluitvorming (bij de Europese Raad en de Raad van Ministers, dan wel bij de Europese Commissie en het Europees Parlement). Vervolgens onderscheidt hij in beide gevallen `minimalisten' (behoudend) en `maximalisten' (radicaal), et voilà, daar vallen de hoofdrolspelers keurig op hun plaats.

Dubbel-min voor de Britse premier Tony Blair en dubbel-max voor zijn Belgische collega Guy Verhofstadt. De Franse premier Lionel Jospin belandt in max-min (dikke agenda, zwakke Commissie en Parlement), diagonaal tegenover de Duitse kanselier Schröder in min-max (dunne agenda, sterke Commissie en Parlement). En Fischer zelf, aanstichter van het discours? Tussen Verhofstadt en Schröder – want dat is het mooie van zo'n tabel, zij valt naar believen uit te breiden, bij voorbeeld met `gematigd' of `pragmatisch'.

In 2004 willen de regeringsleiders beslissen over wat zij noemen `institutionele hervorming' – het eufemisme waarachter niets minder dan de herdefiniëring van de machtsverhoudingen in de Unie schuilgaat. Dat is geen sinecure. Want Blair, Jospin en Schröder mogen dan als sociaal-democraten `politieke geestverwanten' heten, als het over Europa gaat zijn ze toch zelden in een adem te noemen zonder dat er een frontale botsing volgt. Om maar te zwijgen over liberalen als Verhofstadt, de kampioen van de Europese federatie, en de Nederlandse minister Jozias van Aartsen, die pas nog liet weten geen enkele trek te hebben in een debat over ,,verre perspectieven en politieke luchtkastelen''. Daar valt de verdeeldheid onder christen-democraten bij in het niet.

Toch valt er volgens politicoloog Jan Rood, hoofd onderzoek van Clingendael, wel iets te zeggen over de waarschijnlijke afloop: geleidelijke, voortgaande federalisering, zoals het al vijftig jaar gaat, met vele ups en downs. En ook: hoe meer politieke onderwerpen op de agenda, deste trager het tempo.

,,Uiteindelijk'', zegt Rood, ,,zal het inzicht doorbreken dat de positie van de Europese Commissie als uitvoerend orgaan moet worden versterkt en dat de regeringsleiders een stapje terug moeten doen en uitvoerende bevoegdheden moeten overdragen aan de Commissie. Zonder aanwijsbare autoriteit in het centrum van de besluitvorming loopt de zaak vast en keren de burgers zich tegen Europa. De nog jonge historie van de Unie leert dat zulke crises telkens de barensweeën blijken van nieuwe impulsen voor het integratieproces.''