Onzichtbare hand

Stropdassen met de beeltenis van Adam Smith waren de kazuifels waarmee de discipelen van de vrijemarktprofeet Ronald Reagan zich in het Witte Huis van de jaren tachtig optuigden. Met de kreet ``We're getting back tot basics'' spanden zij de achttiende-eeuwse Schotse filosoof voor hun laisser-faire-karretje. Slechts een enkeling van hen had ooit meer dan oppervlakkig kennis genomen van de werken en gedachten van Adam Smith, laat staan dat zij de in hun ogen Heilige Schrift Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations ook daadwerkelijk gelezen hadden.

Twintig jaar later wordt ook Nederland geteisterd door een welhaast theologische polemiek rondom het thema vrije markt met aan beide zijden van het spectrum soms een schandelijk misbruik van en een beschamende onwetendheid over deze formele grondlegger van de vrijemarkttheorie.

Onze nationale gemankeerde dominee Freek de Jonge heeft met een aantal kornuiten de pretentie om namens ons allen de beschaving te willen redden middels het verkrachten van het Adam Smith-concept van de `onzichtbare hand' met ranzige retoriek, manipulatieve argumentatie en dubieus gefrutsel met appels en peren. Het heeft allemaal het intellectuele niveau van de tv-talkshows die mede-ondertekenaar Jan Marijnissen zo heftig frequenteert.

Fervente publieke aanbidders van diezelfde `onzichtbare hand' zijn vooral politici met een zwak paars tintje: zij dus die je zeker niet kan verdenken zelfs maar te overwegen Adam Smith gewoonweg eens te lezen. In dat kamp is de evenknie van Freek de Jonge mevrouw Annemarie Jorritsma, die zo aardig in weer andere tv-talkshows kan hameren op de zegeningen van de vrijemarktwerking op bijvoorbeeld de kwaliteit van de Nederlandstalige literatuur. Hier wordt de vrijemarktwerking veelvuldig gehanteerd als legitimatie van bestuurlijk onbenul – zoals schijnverzelfstandiging van de Nederlandse Spoorwegen zonder garantie van enige concurrentie op het spoor – en van beleidsmatige willekeur.

Net zoals je dient te geloven in God, zo dien je ook te geloven in het systeem, en in zeker opzicht worden deze twee dan ook als identiek beschouwd. Zo wijst al jarenlang de econoom John Kenneth Galbraith deze gelovigen erop dat zij ernstig zullen schrikken van wat de `liberal democrat' Adam Smith anno 1776 zoal te melden heeft.

Ondernemers zijn volgens Smith veel te eenzijdig op geld belust en hij waarschuwt dat als personen uit een en dezelfde professie of branche bijeenkomen, zulks altijd ontaardt in een samenzwering om de consument een oor aan te naaien middels prijsafspraken en andere publieksvijandige complotten. Ook pleit hij voor proportionele vermogensbelastingen, en wat de overheid betreft stelt hij dat een `beschaafd' land onkosten maakt, en ook dient te maken, die een `barbaars' land niet eens zou overwegen. Immers, de kwaliteit van de samenleving en het individuele geluk ook van anderen in die samenleving is weer essentieel voor een ieders eigen geluk.

Adam Smith in de achttiende eeuw en de vrijemarkteconoom Friedrich Hayek in de twintigste eeuw benadrukken beiden dat alle leden van de samenleving onderworpen dienen te zijn aan gelijke regels, dat zij als vrije individuen allen gelijk zijn voor de wet en dat zij allen recht hebben op gelijke toegang tot werk, zorg en educatie. Het zijn pragmatici met de ethiek van rechtvaardigheid en niet die van moralistisch gezever en betutteling. Beide heren zijn gespeend van het religieus fanatisme van zowel hun dwepende, zij het ongeletterde volgelingen als dat van hun beeldenstormende antagonisten.

Maar de hier gesignaleerde misverstanden rondom de begrippen vrije marktwerking en de fameuze `onzichtbare hand' berusten niet uitsluitend op onwetendheid. Een en ander wordt nog versterkt door een in Nederland overheersende gewoonte om alles wat het begrip `economisch' bevat te associëren met strikt materiële zaken. Zo wordt economische welvaart hier te lande meestal uiterst benepen vertaald in termen van harde munt, terwijl het in feite natuurlijk alles te maken heeft met de kwaliteit van het bestaan.

Deze dwaling gaat behoorlijk diep en beperkt zich zeker niet tot komedianten en politici. Prof. Wim Derksen, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en voorzitter van een projectgroep over privatiseringen, liet in deze krant nog geen jaar geleden de volgende uitspraken optekenen: ,,Achter privatiseringen zit een te clichématig economisch mensbeeld, waarbij de burger is verengd tot consument.'' De socioloog kwebbelt voort: ,,[...] de burger is meer dan een consument [...]. Nu groeit het besef dat mensen niet alleen maar uit zijn op het zo goedkoop mogelijk kopen van spullen.''

Voor deze hooggeleerde zijn economen redelijk vieze clichémannetjes met een beperkt louter economisch mensbeeld die voorbijgaan aan culturele aspecten, niet in bredere kaders kunnen denken en het martkmechanisme heilig hebben verklaard. Dat ook hij Adam Smith niet gelezen heeft zal duidelijk zijn, maar kennelijk is alles wat op economisch wetenschappelijk terrein sinds 1776 is gebeurd hem ook een brug te ver. Je zou bijna medelijden krijgen met een Jorritsma of Netelenbos die hun scoringsdriften met dergelijke semi-wetenschappelijke kwaakspraak moeten onderbouwen.

De economische wetenschap bestudeert menselijk gedrag en de verdeling van voor vele alternatieven inzetbare schaarse middelen. Zij schurkt aan tegen andere disciplines zoals psychologie, sociologie, geografie en analytische hulpmiddelen zoals accountancy en informatietechnologie. Maar de econoom dient zich in zijn analyses verre te houden van waardeoordelen, ethiek en moraliseren.

De econoom draagt de analyses en het instrumentarium aan, maar het is dan de gemeenschap, de politiek dus, die de noodzakelijke keuzes moet maken tussen de vele alternatieven. Vroeger heette dat in de bakermat van de economische wetenschap: Political Economy, as much an art as a science.

Het verplicht de politiek echter tot intelligent en conceptueel nadenken over het publieke belang. In die context van nadenken past een parafrase op Karel van het Reve over Tsjechov. Door Adam Smith zelf te lezen spaar je veel tijd uit omdat zijn oeuvre veel minder omvangrijk is dan het oeuvre van hen die over hem schreven. De uitgespaarde tjd kan je dan weer gebruiken om over Adam Smith na te denken – tijd die de mensen die over Adam Smith schrijven (of praten) gewoonlijk niet hebben.

Wouter Knapper is marketingadviseur