Onverbeterlijk?

De Utrechtse wijk Kanaleneiland was uitgebreid in het nieuws dankzij de (al heel vaak gehoorde) klaagzang van de Utrechtse korpschef P. Vogelzang over het hardnekkige criminele gedrag van een groep van enkele honderden Marokkaanse jongens. Het Kanaleneiland, die buurt ken ik. Mijn schoonfamilie komt er vandaan. Niet oorspronkelijk natuurlijk, want de wijk is pas in de jaren zestig aangelegd. Mijn schoonouders hadden, zoals duizenden Utrechtse arbeidersgezinnen, welgeteld vijftien jaar op een wachtlijst gestaan voordat ze een vierkamerflat in de nieuwbouw kregen toegewezen. De woningnood gold in de jaren van de wederopbouw niet voor niets als volksvijand nummer één. Dat betekende: inwonen, opklapbedden, stapelbedden, hele families op een bouwvallig bovenwoninkje zonder douche.

Mijn bejaarde schoonvader wil nog altijd geen kwaad over het Kanaleneiland horen. Heeft hij soms voor niets voor sociale woningbouw gestreden? Is dat niet goed genoeg voor de allochtone nieuwkomers die er zich sinds de jaren tachtig hebben gevestigd? Hij vraagt het met enige retoriek. Was het begin jaren zestig geen verademing op jezelf te kunnen gaan wonen in een ruim aangelegde buurt met groenstroken en speelruimte voor de jongeren? De kwade reuk waar het Kanaleneiland nu in staat, lijkt hem in zijn eergevoel te raken. Zelfs in zijn verpleeghuis, in diezelfde wijk, kan hij er zich nog over opwinden. Hoe is het toch mogelijk dat zo'n prachtbuurt – ontworpen door Rietveld, nota bene – ineens landelijk bekend staat als een afschrikwekkend islamitisch getto, een achterstandswijk waar de huizen het slopen amper waard zijn, een vervuilde, onveilige, door jeugdige Marokkaanse vandalen en criminelen beheerste no go-area?

Natuurlijk, de huizen zijn nu dertig tot veertig jaar oud, maar inmiddels zijn ze ook alweer gerenoveerd en van centrale verwarming voorzien. Het beeld van een totaal verpauperde buurt is enigszins overtrokken. Er zijn genoeg mooie stukken Kanaleneiland over en de populatie is helemaal niet zo eenzijdig samengesteld als je uit de verhalen zou opmaken. Wel is het waar dat de klachten van korpschef Vogelzang beslist niet uit de lucht zijn gegrepen. Het Kanaleneiland staat wat dat betreft model voor vele andere buitenwijken. Niet alleen in Utrecht (Zuilen, Overvecht) maar ook in andere steden waar de politie haar handen vol heeft aan een asociaal of zelfs crimineel deel van de jonge, mannelijke allochtone bevolking.

Desondanks is het is een beetje vreemd dat uitgerekend de politie zich tot tolk van de verontrusting maakt. Van haar verwacht je dat ze iets aan het probleem doet, in plaats van zichzelf boven alle kritiek te plaatsen en huilend de publieke opinie te bestoken. Het is alsof je NS-directeur Huisinga zich tegenover de treinreizigers hoort beklagen over de vertragingen. Volgens Vogelzang zijn de jonge criminelen waar het over gaat nu eenmaal onverbeterlijk. Dat ontlast hem in ieder geval van alle verantwoordelijkheid voor de (re)socialisatie van de betrokkenen.

,,Het gaat me niet zozeer om de ernst van de delicten, het gaat me vooral om hun onverbeterlijkheid'', zei hij dinsdag in deze krant. Nou, hou dan maar op. Wat doe je met onverbeterlijke criminelen? Die kun je alleen, afgezien van de doodstraf, levenslang opsluiten. Maar dan zou de band tussen straf en ernst van het strafbare feit volledig worden doorgesneden, wat me in flagrante strijd lijkt met onze rechtsbeginselen.

Sluit je de jonge schurken niet op dan ,,komen ze terecht in circuits die onverbeterlijker zijn'', vervolgde Vogelzang. Ik vraag me af: wat is nog onverbeterlijker dan onverbeterlijk? Ten slotte pleitte de politiechef voor een harde aanpak: ,,Anders zie ik ze echt in de onverbeterlijke circuits terechtkomen.'' Maar daar zaten ze toch al in volgens hem? Het spijt me, Vogelzang krijgt geen prijs voor helder formuleren.

Een harde aanpak in de vorm van onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is gerechtvaardigd als de ernst van de delicten (inbraak, straatroof, mishandeling, autodiefstal) en de persoon van de dader (leeftijd, recidive) daartoe aanleiding geven. Keihard lik-op-stuk is soms onontkoombaar, maar hoort – zeker bij jongeren – niet uitsluitend op vergelding en beveiliging te zijn gericht. Ook verbetering van het schijnbaar onverbeterlijke is en blijft een doel.

Ik vermoed dat Vogelzang maar wat roept om zichzelf in te dekken tegen het verwijt dat de politie niet is opgewassen tegen een harde kern van een paar honderd slecht opgevoede jonge Marokkaanse recidivisten. Machteloos staan we, zegt Vogelzang, die wordt bijgevallen door een koor van hoofdcommissarissen. We zitten met de handen in het haar, we kunnen niets beginnen. Alsof de naar verhouding ernstige criminaliteit van een specifieke groep jongeren een soort natuurverschijnsel zou zijn of een noodzakelijk etnisch fenomeen.

Waarom gebeurt er niets aan de oorzaken? Het is alweer tien jaar geleden dat de criminoloog Bovenkerk in De Gids `het vraagstuk van de criminaliteit der Marokkaanse jongens' analyseerde, waarbij hij wees op factoren als een zwakke groepscohesie van Marokkaanse immigranten. Anderen gingen in talloze studies die sindsdien aan het verschijnsel zijn gewijd, in op andere factoren die Marokkaanse jeugdcriminaliteit in de hand werken: feilen in de opvoeding en onverschilligheid van ouders, angst van ouders voor culturele vervreemding, gebrek aan autoriteit en gezag van functionarissen in de hulpverlening en bij politie en justitie, ontbreken van gezinsinterventies uit vrees voor schending van de privacy, schaalvergroting in het onderwijs, onderwijsuitval, miscommunicatie tussen politie, openbaar ministerie, reclassering, enz.

Wat ook een rol speelt, is dat Marokkaanse kinderen vaak geen zakgeld krijgen, omdat al het geld zo nodig naar Marokko moet worden gestuurd. Tref die ouders dan maar in hun portemonnee met fikse schadeclaims en boetes als hun kinderen gaan stelen, zou ik zeggen.

Wie tien jaar van klachten overziet – en daar in tien jaar verschenen rapporten, studies, projecten naast legt – kan tot de gemakzuchtige conclusie komen dat Marokkaanse crimineeltjes onverbeterlijk zijn, maar met meer recht betogen dat politie, justitie en andere delen van de bureaucratie onverbeterlijk laks zijn. Harder straffen is een noodgreep. Het geeft misschien in individuele gevallen tijdelijk soelaas, maar vormt geen redelijk alternatief voor een structurele aanpak van de oorzaken.

Wat hier nodig is, is een beschavingsoffensief.