KWAAD TOT ERGER

In zijn column over 30 jaar onderwijsbeleid in ons land (`Van kwaad tot erger', W&O 12 mei) verwijst Leo Prick naar mijn proefschrift uit 1976. Daarin zou de stelling zijn verdedigd `dat de politiek zich inzake onderwijsvernieuwing niets aan de leraren gelegen moest laten liggen'.

Ik nam daar met grote verbazing kennis van. Nergens in mijn boek Onderwijsbeleid onder druk, noch in de bijbehorende zeven deelstudies is deze opvatting te vinden. Wel heb ik toen, daarbij onder meer verwijzend naar onze grondwet, de bijzondere verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, als hoedster van het algemeen belang, voor het onderwijs gestipuleerd. De essentiële maatschappelijke functies die het onderwijs op sociaal, cultureel en economisch terrein vervult rechtvaardigen, zo betoogde ik, overheidsbemoeienis. De opzet en inrichting van ons onderwijsbestel kan niet alleen een aangelegenheid van leraren zijn. Wel is het verstandig indien de leraren via hun organisaties actief bij de totstandkoming van het overheidsbeleid betrokken zijn. In mijn dissertatie wees ik daarbij onder meer op het belang van een geregelde inbreng van (veld)kennis over de onderwijspraktijk. In de afgelopen 30 jaar is dit belang nogal eens uit het oog verloren.

Prick releveert ook mijn pleidooi voor verplichte nascholing van leraren. Ik heb inderdaad destijds (en heb dit nadien in tal van andere publicaties en bij diverse gelegenheden herhaald) de vrijblijvendheid op het terrein van de nascholing gekritiseerd. Met bezorgdheid nam ik kennis van onderzoek waaruit bleek dat veel leraren nauwelijks tijd aan het bijhouden van hun vak besteedden. Het is voor het vakmanschap (juist) van leraren van groot belang dat hun kennis en vaardigheden op vakinhoudelijk en vakdidactisch terrein periodiek worden herijkt. Hierbij is de professionaliteit van het leraarschap in het geding en de daarmee verbonden kwaliteit van het onderwijs. Daarmee is een maatschappelijk belang van de eerste orde gemoeid (vergelijk de verplichte nascholing van huisartsen).

Prick interpreteert deze zienswijze als een pleidooi voor een `verplichte heropvoeding' en sabelt dit vervolgens (met een verwijzing naar Verhoeven) neer door het te betitelen als `barbaars' en `totalitair'. Dit verbaal geweld gaat volstrekt aan het belang van nascholing voorbij. Minister Hermans heeft hier meer oog voor, want hij heeft onlangs het voornemen kenbaar gemaakt om in de Wet op de onderwijsberoepen-in-wording een verplichting tot nascholing op te nemen. Het wordt tijd. Hopelijk worden er uit de extra middelen die in de komende jaren naar de onderwijssector vloeien betekenisvolle bedragen vrijgemaakt om de nascholing te faciliteren.