Ironie is een goed wapen in de politiek

Het conservatieve februari-offensief was een beetje naïef en het socialistische 1 mei-beschavingsoffensief was een beetje dom, meent Arno Visser.

Een massieve golf conservatief cultuurpessimisme overspoelt het land. Mensen als Livestro en Kinneging bepleiten het politiek conservatisme. Aan de andere zijde vechten linkse iconen onder aanvoering van Marijnissen voor iets soortgelijks. Samen (doch niet eendrachtig) bestrijden ze de afbraak van onze beschaving, vechten ze tegen verloedering en komen ze op voor hetgeen is opgebouwd. Verder delen ze een onbescheiden geloof in het eigen gelijk en de overtuiging dat het (neo)liberalisme ten grondslag ligt aan alle vaderlandse ellende. Dat verdient een weerwoord: een pleidooi voor politieke ironie.

Het schreeuwerige socialistische 1 mei-offensief van de stichting `Stop de uitverkoop van de beschaving' was een beetje dom. Hoezo verloederen onderwijs en zorg door de commercie? Het zijn juist terreinen zonder marktwerking of concurrentie, maar met een overdaad aan bureaucratie. Wie ze onder de maat vindt presteren, kan niet met de beschuldigende vinger naar de vrije markt wijzen. Het gaat niet aan liberalen te verwijten de publieke sector te verslonzen vanwege hun gevoel voor financiën. De grootste bedreiging voor de publieke sector schuilt in het faillissement ervan: een onbalans van debiteuren en crediteuren.

Het conservatieve februari-offensief onder aanvoering van J. Livestro was een beetje naïef. Is het wel zo zinvol een beschavingreveil te bouwen op oude deugden of een eeuwige geldende moraliteit? Dan vergeet je dat zulks juist leidt tot uitbanning van ieder ethisch debat. Waarom nadenken als het antwoord vooraf vaststaat? Waarom bijschaven als we de hoogste vorm van beschaving al kennen? Zij die de eigen ethiek de hemel in prijzen, maken zedelijke discussie onmogelijk. Omdat een debat de moraliteit ter discussie stelt. Het zijn veranderingsgezinde liberalen die de moed hebben een ethisch debat aan te gaan – bewust van het feit dat er geen definitief handboek voor de moraal is. Het gaat niet aan liberalen te verwijten geen moraal te kennen. Het werkelijke gevaar komt van hen die het morele debat uit de weg gaan door zich te beroepen op een morele `openbaring': hetzij die van de religie, hetzij van een wereld die niet langer de onze is.

Dat zelfbenoemde cultuurbewakers de teloorgang van beschaving vrezen, is nieuw noch uniek. Kritiek op moraal en gedrag is van alle tijden. Evenals het bijbehorende negeren dan wel relativeren van vooruitgang. Maar tegenover dat hippe cultuurpessimisme moet wel stelling worden genomen, want het leidt tot hardnekkig verzet tegen verandering.

Hoe gaan we om met maatschappelijke ontwikkelingen zonder star te vervallen in rechts- of linksconservatieve blauwdrukken? Kunst en literatuur bieden de politiek een uitweg: erkenning van de spanning tussen vorm en inhoud; erkenning van de spanning tussen wat je ziet, zegt en wilt. Zonder conventies qua vorm geen communicatie qua inhoud, in welke vorm dan ook. We beschrijven de wereld met een beperkt arsenaal hulpmiddelen. Wat een verhaal overtuigend maakt, is dat het die codes of conventies coherent toepast. De puzzel valt in elkaar: herkenning. Het gevaar is nu deze logische coherentie van (linguïstische) conventies te verwarren met de werkelijkheid, of in de val te trappen dat er coherentie is tussen wat je ziet, zegt en wilt. Dat is niet `postmodern', want postmodernen zijn degenen die zich bij dit inzicht neerleggen en eraan toegeven.

Laten we ons erbij neerleggen, dat er conventies zijn en dat we conventies nodig hebben. Vervolgens erkennen we dat conventies veranderen in de tijd. Daarna moeten we zoeken naar een wereldbeschouwing, een politieke filosofie die dat erkent en conventies creatief gebruikt. Politiek draait om communicatie tussen vertegenwoordiger en vertegenwoordigde. Ironie is een zelfbewuste, naar zichzelf verwijzende vorm van communicatie. Het is communicatie die via spanning tussen vorm en inhoud de eigen beperkingen erkent. De ironie kent geen eigen conventies, maar maakt gebruik van bestaande sjablonen.

Ik pleit ervoor in de politiek de ideologische conventies die horen bij anarchisme, conservatisme en radicalisme te gebruiken zonder de vertegenwoordigers en de vertegenwoordigden met `waarheden' te verwarren. Dat noem ik de `liberale ironie': een bescheiden maar artistieke en zelfbewuste wijze van politiek bedrijven die gericht is op vooruitgang. Dat kan overigens alleen als vertegenwoordiger en vertegenwoordigde beiden die ironie aanvaarden. Maar aangezien het zowel in de kunst als in de reclame een geaccepteerde methode is, lijkt dat geen probleem.

Die politieke ironie kan nooit onbescheiden zijn, omdat het iedere stellingname relativeert. ,,De geëmancipeerde maatschappij is de ironische maatschappij'', schreef geschiedfilosoof Ankersmit al. Volgens mij brengt politieke ironie een sympathieke bescheidenheid die conventionele ideologieën ontberen. De liberale ironie is positief en respectvol. Ideologen daarentegen zijn wantrouwend.

Als cultuurpessimisten iets dwars zit, is dat vooral in hun eigen hoofd te vinden. Dat projecteren ze op de buitenwereld. En wat eveneens in hun hoofd zit, is het onbeschaamde verlangen de eigen mooie ziel aan het publiek te tonen. Je moet immers wel over uitzonderlijke eigenschappen beschikken wil je cultuurpessimist kunnen zijn: deze positie verheft je boven de massa.

Cultuurpessimisme komt voort uit de gewaarwording dat de werkelijkheid niet (meer) voldoet aan de ideologische wenselijkheid. Wie naar boven kijkt, staat stil. Dat is de tragiek van het cultuurpessimisme. De conservatieve pleidooien zijn strikt conventioneel zonder het zelf te beseffen. Ergo: ze zijn louter coherent binnen het eigen domein, de kleiner wordende `inner circle'. Daarmee verliezen ze zeggingskracht. De politieke ironie pretendeert niet dat het verhaal ook de werkelijkheid of waarheid zelf is. Die houding stelt je open voor onverwachte feiten, averechtse effecten en ogenschijnlijke tegenstellingen (`private vices, public benefits'). Het voorkomt bovendien mythevorming.

De beste houding om in het huidig tijdsgewricht politiek te bedrijven, is die van de bescheiden ironie. Dan kun je drie dingen zeggen: stelling nemen tegen het vermeende slechte, streven naar verbetering gebaseerd op feiten, en tegelijk erkennen niet de enige juiste waarheid in pacht te hebben. Zelfbewustzijn kenmerkt deze vooruitgangsoptimist. En als geruststelling aan de conservatieven: niemand kent de conventies beter dan hij die de ironie niet schuwt. De conventie is dood, leve de conventie.

Arno Visser is politiek secretaris van de fractievoorzitter van de VVD in de Tweede Kamer.