In Macedonië betaalt de burger het gelag

De burgers – en dan met name de Albanese burgers – zijn het kind van de rekening van de oorlog in het noorden van Macedonië.

Paars zijn de benen en billen van Benjamin Limani. Pimpelpaars. En op zijn voorhoofd prijkt een wit verband, met daaronder een fikse hoofdwond. ,,Wil je mijn buik ook zien'', vraagt hij.

Benjamin Limani is een Albanese zakenman uit Macedonië. Hij doet in leer. Vorige week ging hij naar Turkije voor zaken. Op de terugweg, op de grensovergang tussen Bulgarije en Macedonië, werd hij door Macedonische grenswachten uit de bus gehaald. Het was zaterdagmiddag vier uur; maandagmiddag een uur kwam Limani vrij.

In de tussentijd sloegen politiemannen op het bureau met houten stokken op hem in, dreigden ze zijn familie iets aan te doen en beschuldigden ze hem van smokkel voor de Albanese rebellen in Macedonië. ,,Ik zou 2,5 miljoen dollar naar Turkije hebben gebracht om wapens te kopen voor de rebellen'', zegt Limani. Uiteindelijk stopten ze hem in de kofferbak van een auto en reden naar het plaatsje Kriva Palanka. Daar werd hij in een open veld achtergelaten.

Limani is een `eerlijke zakenman'. Met de Albanese rebellen heeft hij niets te maken. ,,Maar na zo'n ervaring wordt een man bijna in de armen van de extremisten gedreven'', grijnst hij moeizaam.

Benjamin Limani had zijn `ervaring' op de grensovergang. Andere Albanezen zouden worden mishandeld in het noorden van het land, waar de gevechten tussen de rebellen en het leger aanhouden. De dorpelingen die zich schuil houden in kelders en scholen durven niet weg uit angst voor represailles van soldaten en agenten bij de vele controleposten. De Macedonische regering laste woensdag een staakt-het-vuren in om de burgers de kans te geven het gebied te verlaten. Slechts een handvol dorpelingen maakte van de gelegenheid gebruik.

De mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch heeft gewezen op de mishandeling van Albanese burgers. ,,We roepen Amerika en Europa op afstand te nemen van deze praktijken en willen dat de Macedonische regering de klachten van de burgers onderzoekt.''

De kwaliteit van het Macedonische leger is schrikbarend, zegt ook een Westerse diplomaat in Skopje. Onder de militairen bevinden zich veel reservisten. ,,Ze zijn ongedisciplineerd en weten van toeten noch blazen.'' De internationale gemeenschap heeft de afgelopen weken al vaak aangedrongen op terughoudenheid door het Macedonische leger, maar dat lijkt zich daar weinig van aan te trekken.

Discipline is ver te zoeken in het leger. Een vertegenwoordiger van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) die met een brief van de minister van Binnenlandse Zaken op zak langs een checkpoint wilde, kreeg de loop van een kalasjnikov in zijn buik geduwd. De vrijbrief van de minister hielp geen zier. ,,Als de minister wil dat je hier langs gaat, dan komt de minister me dat zelf maar vertellen'', snauwde de jonge soldaat.

Op een weg in het noorden van Macedonië doemen de soldaten plotseling op, vanachter een wegblokkade van kisten en bomen. Dit is verboden gebied voor niet-militairen; de rebellen zitten op schootsafstand in de heuvels. ,,Achtentwintig dagen zit ik hier'', zegt een soldaat in de greppel naast de weg. Ze maken grappen, roken sigaretten en spelen met de trekker van hun geweer. Dan klinkt een schot - per ongeluk heeft een soldaat enkele centimeters naast zijn eigen voet geschoten. Zijn collega's duiken eerst paniekerig de greppel in en lachen vervolgens schaapachtig.

Naar het nabijgelegen dorp Vaksince gaan de soldaten niet meer. ,,Dat hebben we al ingenomen'', pochen ze. Vaksince, dat lang in de vuurlinie lag, is inderdaad leeg. Zaterdag vielen leger en politie binnen. De dorpelingen sloegen op de vlucht en de militairen leefden zich uit op hun bezittingen. Ze hebben granaten door de daken gevuurd, kogels door de ramen geschoten, satelietschotels omver getrokken en laden en kasten leeggehaald. In de straten liggen dode koeien en ezels; sommige dieren hebben schotwonden in het hoofd. Zwermen vliegen bevolken de straten van Vaksince.

De 60-jarige Fehmi Kasumi is de enige sterveling in Vaksince. Hij is voor het eerst sinds het offensief terug in het dorp. ,,Alles is kapot'', huilt hij. Verloren loopt hij door het huis, de glasscherven kraken onder zijn schoenen. De kleren zijn uit de kasten getrokken, het bankstel is aan stukken gesneden, een ingelijst koranvers is kapot geslagen. ,,Wat neem ik mee'', vraagt Kasumi zich af, want hier blijft hij in geen geval. Hij is bang dat de soldaten terug komen. Als hij even later naar het dorp Lojane terugkeert, heeft hij een versleten vestje in zijn hand.

In Lojane zijn de meeste vrouwen en kinderen anderhalve week geleden gevlucht. De meesten zijn naar familie in het zuiden van Servië gegaan. Op de heuvel even buiten Lojane kan men de vlaggen van de grensovergang zien wapperen. ,,Alleen de oudere mannen zijn achtergebleven'', zegt de leider van de moskee in het dorp, de hodja. En die hebben nu een probleem: ,,We hebben wel meel, maar we weten niet hoe een brood te bakken.'' Ze durven ook niet naar Kumanovo om brood te kopen.

Inmiddels wagen zich, even buiten Lojane, de eerste boeren weer op het veld. Aan hun tractor wappert een witte vlag – en ver voor het donker gaan ze alweer terug naar het dorp.