Hofpredikant maakt water uit wijn

Bij nadenken over wonderen willen we aan de ene kant niet goedgelovig zijn, maar andersom ook weer niet zo arrogant om alles uit te sluiten wat we zelf niet helemaal begrijpen. De grote Franse essayist Montaigne zegt het billijk in beide richtingen. In zijn opstel over de kracht van de verbeelding geeft hij toe dat eenvoudige mensen waarschijnlijk wat al te gevoelig zijn voor geloof in wonderen en verschijningen (hoger opgeleiden hebben weer andere problemen met het aansturen van hun verbeelding: ze piekeren op het verkeerde moment en dat leidt tot potentiestoornissen – zie voor komische uitgewerkte voorbeelden hoofdstuk 21 in Boek I). Maar in zijn essay Dat het roekeloos is om het eigen verstand tot maat te maken van alle dingen schrijft Montaigne: ,,Waar zullen we de heilige Augustinus [en andere heiligen] die ons vertellen van hun geloof in wonderen eens van beschuldigen? Onwetendheid, onnozelheid, bijgelovigheid of kwaadwilligheid en bedrog? Kan iemand vandaag de dag zo arrogant zijn om zichzelf hun gelijke te achten? Zelfs al leverden zij geen bewijs, hun gezag is genoeg om mij te overtuigen.''

De niet zo grote ds. C.A. ter Linden is blijven steken in de eerste waarschuwing van Montaigne. Weg met het wonder van de opstanding, schreef hij met Pasen in deze krant, want dat is de ,,enige weg voor een modern gelovige''. ,,Het thema van het lege graf moet worden verstaan als een door mensen zelf gevonden beeld.'' Dezelfde aanmatigende en intolerante opstelling die we ook kennen van ds. Nico ter Linden als het gaat om de opstanding van Jezus: let op het steeds herhaalde woord `moeten' – we moeten het met Ter Linden eens zijn dat wonderen de wereld uit zijn. Alle nadruk komt zo te liggen op de persoonlijke gevoelens van de gelovige, want bijzondere feiten zijn er over zondag 5 april 33 niet te melden. Misschien heeft het Huis des Heren een klein kamertje voor deze extreme opvatting, maar Ter Linden zou ten minste eerlijk kunnen bespreken of zijn bewerking van het paasverhaal nog iets te maken heeft met twintig eeuwen traditie. Met Augustinus, die schreef dat de dood van Christus niets waard is zonder de verrijzenis. Met Luther, die stelde dat als wij Jezus alleen zien als leraar en voorbeeld dat dan al zijn lijden en zijn dood ons niet echt helpen. Met Barth, die schreef: ,,schrap de verrijzenis met al wat dat betekent en de kern van wat Jezus werkelijk was is verdwenen''.

Het negeren van de traditie is al gevaarlijk – en in strijd met de geloofsbelijdenis – maar ronduit onbeschaamd is de claim van Ter Linden dat dan toch de heilige Paulus het wél met hem eens is. Een briefschrijver wees al op 1 Cor. 15:12-14, waar de apostel precies het omgekeerde stelt van wat Ter Linden beweert. Twee keer gebruikt hij het Griekse woord `anastasis' wat betekent: `weer een staande positie innemen' – kan het concreter? Ter Linden wil daar niet aan omdat hij overtuigd is dat moderne mensen niet meer in wonderen kunnen geloven. Historisch gezichtsbedrog – in de tijd van Jezus was geloof in wonderen net zo goed moeilijk als nu. Van tevoren dacht geen van de discipelen dat Jezus zou kunnen herrijzen uit de dood. Toen het wonder toch gebeurde, was er de ongelovige Thomas die de verrezen Jezus eerst wilde aanraken voordat hij kon geloven. En de bijbel vertelt ook van de mislukte reis van Paulus naar Athene, waar men hem uitlachte om het verhaal van de opstanding en voorstelde om daar later maar eens op terug te komen. Ook toen werd algemeen aangenomen dat het leven eindigt met de dood – dat is echt geen exclusief modern inzicht.

Filosofisch maakt Ter Linden een fout die al terug gaat tot David Hume. Hij zet de verhalen over de opstanding en de verschijningen van de verrezen Jezus tegen de achtergrond van de wetten van de natuur die nu eenmaal geen miraculeuze uitzondering toestaan. Maar dat is als theoretische achtergrond niet voldoende. Als er geen God bestaat, dan zijn de wetten van de natuurkunde de ultieme bepalende factor. Maar als er wel een God bestaat, zouden er logische of zelfs historische aanwijzingen kunnen zijn dat die God het op prijs stelt om bij zeldzame gelegenheden te interveniëren in de wetten van de natuur. En God zijnde is hij daar ook toe in staat. De bijbel bevat nogal wat aanwijzingen dat op 5 april 33 zo'n tussenkomst van God plaatsvond. Er zijn beschrijvingen van acht verschillende ontmoetingen met Jezus ná de ontdekking van het lege graf, inclusief een verschijning aan vijfhonderd personen tegelijk – een wel heel groot aantal mensen als het uitsluitend zou gaan om een gesynchroniseerde extase. Bovendien is het in géén van die acht gevallen zo dat de betrokkenen eerst al helemaal enthousiast waren over hun bijzondere band met Jezus en daarna in hun vreugde inderdaad de sensatie hadden dat hij even in hun midden verkeerde. Integendeel, zonder uitzondering waren zij sceptisch, bedroefd, ongelovig of zelfs vijandig totdat er dan iets gebeurde waardoor zij achteraf wél overtuigd waren van de aanwezigheid van de verrezen Heer. Ook daarom is Ter Lindens beschuldiging aan al deze getuigen van psychologisch escapisme zo onterecht.

Tenslotte: alle hogere godsdiensten gaan niet primair over gevoelens maar eerst over de waarheid. Wat bij Ter Linden daarvan nog is overgebleven heeft het niveau van psychisch advies: wees aardig voor elkaar, heb iets over voor de medemens, en vergeet die sympathieke Jezus niet. God is groter dan dat. Oneindig veel meer.