HET FLUISTEREN DER SENATOREN

De 75 leden van de Eerste Kamer zijn het sluitstuk van de democratie. Los van de politieke waan van de dag bekijken ze de wetten die door de Tweede Kamer al zijn goedgekeurd. Maar staan ze echt boven de politiek? Of hebben ze een eigen agenda? 'Ik vind de Eerste Kamer absoluut overbodig', zegt Jeltje van Nieuwenhoven, voorzitter van de Tweede Kamer. Een werkbezoek aan een innig tevreden gezelschap, dat toch soms twijfelt aan zijn bestaansrecht.

'De Eerste Kamer', zegt Wim de Boer, fractieleider van GroenLinks, 'is als een oude slapende leeuw die het nog wel kan maar er bijna nooit zin meer in heeft.'

'De Eerste Kamer', zegt Jacob Kohnstamm, lid van D66, 'is als een oude opa die leuk is voor de kleinkinderen maar die geen verantwoordelijkheid draagt voor hun opvoeding.'

'De Eerste Kamer', zegt Jan van Heukelum, lid van de VVD, 'is als een oude gymnast die in een spagaat ligt en niet weet hoe hij daar nog uit moet komen.'

Oud is de Eerste Kamer zeker.

De 75 senatoren die er deel van uitmaken hebben aan het einde van deze zittingsperiode de gemiddelde leeftijd van 60 jaar ruimschoots overschreden. De jongste PvdA- senator is een snotaap van 49. Het jongste VVD-Eerste-Kamerlid is een broekje van 47. En de jongste CDA'er is met 45 jaar ook nog nauwelijks droog achter de oren.

Maar een lieve, machteloze leeuw die met zijn benen geen raad weet?

Anderhalve maand heb ik mogen verkeren in het gezelschap van de dames en heren die gezamenlijk het sluitstuk vormen van de Nederlandse democratie.

Eén keer per week, op de dinsdag, komen ze bijeen in de mooiste vergaderzaal van het land. De bedoeling is dat ze de begrotingen en de wetten die door de Tweede Kamer al zijn goedgekeurd, los van de politieke waan van de dag, in wijsheid en met een onafhankelijk oordeel, nog eens duchtig tegen het licht houden.

Een aanleiding om naar de Eerste Kamer te gaan was er niet. Een conflict ligt daar niet op de loer. Zelfs geen conflictje. Ik wilde gewoon weten: hoe doen ze hun werk daar?

Vele gesprekken met senatoren, enkele besloten fractievergaderingen en vijf volle zittingsdagen later bleek een andere vraag van meer belang. Niet hoe maar of. Doen ze hun werk wel? Spelen de 75 Eerste-Kamerleden werkelijk de controlerende slotrol die hun door de Grondwet is toebedeeld?

In al die weken heb ik geen gesprek met een Eerste-Kamerlid mogen voeren of de geachte afgevaardigde kwam vroeg of laat zelf bij die vraag uit. Houden we de wetten wel afdoende tegen het licht? En doen we dat met de politieke distantie die van ons verwacht wordt?

Met de hand op mijn hart kan ik nu alvast verklappen: van goddeloos links tot diepchristelijk rechts was er niet één Eerste-Kamerlid dat op die vragen volmondig: Ja!, Nou en Of! antwoordde. Veel vaker viel er, al dan niet tussen neus en lippen, een woord als 'frustrerend' of 'futiel' of 'façade'. En dat was wonderlijk.

Want tegelijk sprak ik van links tot rechts geen Eerste-Kamerlid of het uitte zich in hooggestemde juichtonen omtrent het aanzien, de status, het intellectuele peil, de voortreffelijke debatten en de meer dan wellevende omgangsvormen van dit Hoge Vertegen-woordigende Orgaan. De een die al negen jaar in de Eerste Kamer zit denkt nog elke dinsdagmorgen bij de voordeur: 'Wauw! Dat ik daar vandaag mag werken!' De ander die pas komt kijken, schurkt zich behaaglijk tegen de 'wijsheid' en de 'maatschappelijke rijpheid' van zijn collega-parlementariërs. En een derde, sinds jaar en dag senator, ziet de dinsdag als 'het plezierigst denkbare intermezzo' in zijn overigens jachtige bestaan.

Twijfel over de betekenis van het werk, maar een uitverkoren geluksgevoel om er deel aan te mogen nemen: ziedaar het mysterie van de Eerste Kamer.

'Zodra ik dat prachtige gebouw binnenstap, valt elke vorm van dynamiek van mij af. Binnen zak je weg in de tapijten of je verdwijnt in de gemakkelijke rookfauteuils. Iedereen heeft alle tijd van de wereld, niemand maakt zich ergens druk over. Zelfs de bodes gaan rond met slome tred. Ik heb erg getwijfeld of ik het zou doen, Eerste-Kamerlid worden. Ik dacht, dat worden slapeloze nachten. Maar ik heb nog nooit een slapeloze nacht gehad. In de Eerste Kamer verliest een mens onmiddellijk zijn bezieling.'

(Diana de Wolff, 41 jaar, GroenLinks, advocaat en procureur te Utrecht)

Op een stille dag door de week leidt Marcus Paulusma, het hoofd van de voorlichting, mij rond door het uitgestorven Kamergebouw. Wie zou daar niet een dag in de week willen doorbrengen? Het rijkgemeubileerde leeskabinet is ooit het boudoir geweest van Mary Stuart. De gang naar de centrale hall met de Honthorsten, de Van Mierevelds, de gemakkelijke bankstellen en het dikke tapijt heeft ooit de Graven van Holland tot hofkapel gediend. In de eigenlijke vergaderzaal met de rijke plafondschilderingen kwamen de Staten van Holland bijeen. In de fractiekamer van GroenLinks heeft Johan de Wit gewerkt. En in de fractiekamer van het CDA reiken de boekenkasten tot aan het schitterend gestuukte plafond. 'Het CDA wil graag de grootste fractie blijven', zegt Paulusma. 'Anders moeten ze eruit en ze zijn erg aan deze kamer gehecht. '

We lopen door de noenzaal waar de senatoren tussen de middag het noenmaal gebruiken. De haringen en de lekkerbekjes worden voor hen gehaald bij de viskraam om de hoek. Ook werpen we een blik in de commissiekamer met de kristallen kroonluchters en het jachttafereel van Hondecoeter. Uiteindelijk belanden we in de gelambriseerde koffiekamer die rechtstreeks naar de vergaderzaal leidt.

'Pas op, hoor!', zegt Paulusma. 'In de koffiekamer mag u op dinsdag niet komen!' Er hangt een bordje boven. 'Alleen voor de leden.' Daar beëindigt hij de rondgang.

Een paar uur later komt Paulusma glimlachend naar me toe. 'Ik heb het er met de voorzitter over gehad', zegt hij. 'Hij vindt

het goed. U mag op dinsdag een kopje koffie halen in de koffiekamer. Maar u mag het daar niet opdrinken.'

'Als je iets geheim wilt houden, moet je het hardop in de Eerste Kamer roepen.'

(Elske ter Veld, 57 jaar, PvdA, ex-staatssecretaris)

In deze ambiance van een Engelse middagdutjesclub maak ik op een dinsdagmiddag aan het einde van maart mijn eerste plenaire debat mee.

De voorzitter opent de vergadering en geeft, zeer uitzonderlijk, als eerste het woord aan de heer Brinkhorst, minister van Landbouw. Die is naar de Eerste Kamer gekomen om zijn jaarlijkse begroting te verdedigen.

De minister staat te trillen achter de microfoon.

'Ik heb', zegt hij, 'zojuist de bevestiging gekregen dat er in ons land, om precies te zijn in Oene, een geval van mond- en klauwzeer geconstateerd is.'

De Eerste Kamer neemt kennis van de onheilstijding, schikt de papieren, en gaat over tot de orde van hún dag.

Dan stel ik nu, zegt de Kamervoorzitter, de begroting van Landbouw aan de orde. Daarop neemt een rij geachte afgevaardigden het woord die de bewindsman tot in de avond zullen onderhouden over gevarieerde zaken als de toestand der islamitische slachterijen (R. van der Linden, CDA), het heil van de korenwolf (T. Pitstra, Groen Links) en het gebruik van het landelijk buitengebied in het algemeen (R. Rabbinge, PvdA).

Het is al bijna donker als minister Brinkhorst - begroting zonder hoofdelijke stemming aangenomen - de verzamelde pers te woord staat. Hij kondigt de eerste draconische maatregelen aan die het land in de weken en maanden daarna in hun ban zullen houden maar waar de Eerste Kamer - 'wij zijn er niet voor de waan van de dag' - geruisloos aan voorbijgegaan is.

'Beetje wereldvreemd wel', zeg ik tegen een D66-Eerste-Kamerlid dat met zijn jas al aan op het punt staat het Kamergebouw te verlaten.

'Een beetje?', antwoordt hij. 'Volkomen wereldvreemd! We hadden die Brinkhorst onmiddellijk naar zijn werkkamer terug moeten sturen.'

'In de Eerste Kamer is het gewoon: joh, doe niet zo moeilijk, ga nou effe rustig zitten. In dat gebouw kom je vanzelf in een lagere versnelling. Heerlijk! Ik zie er naar uit, deze ene dag in de week. Je moet het ook niet ophemelen, hoor. Nederland vergaat echt niet als de Eerste Kamer verdwijnt.'

(Paul Luijten, 47 jaar, secretaris van de VVD-fractie, directeur Corporate Affairs Schiphol)

In de weken daarop volg ik nog enkele begrotingsdebatten.

Begin april is minister van Verkeer en Waterstaat Tineke Netelenbos aan de beurt. Juist die dag dreigt een spoorwegstaking het land lam te leggen. Netelenbos heeft een ultimatum gesteld. Het land houdt de adem in. Gaan de treinen wel of niet rijden?

Die dag beantwoordt zij in de Eerste Kamer van half twee tot half negen een keur van diepgravende en van papier af voorgelezen vragen op het vooraf vastgestelde thema water.

Ze slaat zich daar, met de hulp van een leger ambtenaren, dapper doorheen.

Als ze na gedane zaken in dolle haast het gebouw wil verlaten, vraagt een bevriend Eerste-Kamerlid: 'Had je niet liever de middag aan het spoor besteed?'

'Ja', zegt de minister. 'En daar komt bij, water, daar weet ik niks van af.'

'Hoe langer ik in de Eerste Kamer zit, des te meer onnodige zaken zie ik langskomen en des te meer overbodige debatten. Het is een uitwisseling van gedachten geworden op een bepaald niveau, dat zeker, maar met een grote vrijblijvendheid. De Kamer houdt een verhaaltje, de minister houdt een verhaaltje, handje geven, klaar. Ik zeg: voor vrijblijvende debatten is de Eerste Kamer niet bedoeld. Alle Eerste-Kamerleden voelen aan hun water dat er iets niet klopt. Ik denk niet dat de samenleving het merkt als wij een jaar niet bij elkaar komen.'

(Mr. Bob Ruers, 54 jaar, SP, fractievoorzitter, advocaat te Utrecht)

Na drie dinsdagen met zo'n begrotingsdebat overvalt mij de vraag die de Kamerleden zichzelf natuurlijk ook stellen.

Is dit het nou?

Vijfenzeventig maatschappelijk hoog aangeschreven mannen en vrouwen die een dag lang verhaaltjes van papier voorlezen over een begroting waarvan het geld al is geregeld?

Nee, zeggen de Eerste-Kamerleden. Dat is het niet. We doen niet alleen begrotingen. We kijken ook en zelfs in de eerste plaats naar wetsvoorstellen. Dat is onze core business.

'U moet', zegt de Groningse staatsrechtgeleerde prof. Alfons Dölle (CDA), 'de waarde van de Eerste Kamer niet afmeten aan het op zichzelf belangrijke tweedeplan-verschijnsel van de begrotingsdebatten. Ik geef toe, daar glanst de Kamer niet.'

Maar ze besteedt er wel enorm veel tijd aan. In de weken die ik in de Eerste Kamer doorbracht, gingen vier van de vijf vergaderdagen op aan het 'tweedeplan-verschijnsel' van de begrotingsbehandeling.

'Ik heb moeten wennen aan de omgangsvormen. Tjonge, wat gaat het hier allemaal formeel. Alles ligt hier vast in procedures en reglementen. We doen ook weinig aan interrupties, Eerste-Kamerleden onderbreken elkaar niet graag. Dat lijkt voorkomend, maar het kan ook een vorm van desinteresse zijn. Ik weet het niet. Gut nee, echt niet. Ik weet niet of de Eerste Kamer onmisbaar is. Ik weet wel, in de wandelgangen is iedereen erg vriendelijk. Dat vind ik het leukste van de Eerste Kamer. Dat iedereen zo aardig is tegen elkaar.'

(Henk Hofstede, 64 jaar, CDA, ex-vakbondsbestuurder)

Ik geloof niet dat er, op de CDA'er Jos van Gennip na, één Eerste-Kamerlid te vinden is die lol heeft in de begrotingsdebatten die zo veel van de vergadertijd vergen. De meeste leden weten niet hoe gauw ze, zodra de voorzitter zo'n vergadering heeft geopend, de zaal weer uit moeten lopen. Dan verzamelen ze zich in de hall voor een goed gesprek. Of dan snellen ze naar 'perron nul', het hoekje in de gang waar wel gerookt mag worden.

'Het liefst', zegt professor Egbert Schuurman, fractieleider van de Christen Unie, 'zou ik helemaal van die begrotingsdebatten af willen.'

'Het gaat hier', zegt ir. Gerrit Braks, fractievoorzitter van het CDA, 'om een jaarlijks terugkerende rituele dans per ministerie tijdens welke we veelal herhalen wat er in de Tweede Kamer ook al gezegd is.'

'Onmiddellijk afschaffen, die debatten', zegt professor Erik Jurgens, sinds jaar en dag lid van de PvdA-fractie. 'Dat roep ik al jaren.'

Maar het gebeurt niet en ook dat is een wezenstrek van de Eerste Kamer.

'Er verandert hier nooit wat', zegt Erik Jurgens.

'Precies', zegt Eddy Schuyer, fractieleider van D66 die ook heel wat jaren meeloopt. 'Gelooft u mij, ook al is je voorstel nog zo verstandig, aan de Eerste Kamer verandert niets.' 'Ik zit nu tien jaar in de Kamer', zegt de Zwolse schooldirecteur Kars Veling, senator van de Christen Unie. 'Gelooft u mij, elk voorstel tot verandering heb ik al drie of vier keer langs zien komen. En ook drie of vier keer geruisloos zien verdwijnen.'

'Na een dag Eerste Kamer hebben de meeste ministers een gevoel van: zo, dat verplichte nummertje hebben we ook weer achter de rug.'

(Thijs Wöltgens, 57 jaar, PvdA, voorzitter van de Open Universiteit in Heerlen)

Ik mag bij een besloten fractievergadering van de PvdA aanwezig zijn. In de fractiekamer heeft zich, rond een rechthoekige tafel, de fine fleur verzameld van de Nederlandse sociaal democratie op leeftijd. Rechter Le Poole naast professor Wolfson. Burgemeester Stekelenburg naast professor Lycklama. Ex-burgemeester Wöltgens tegenover ex-burgemeester van Thijn. Ex-staatssecretaris Ter Veld tegenover professor Jurgens.

Ik mag plaatsnemen naast professor Witteveen. Aan de wand slaat Juliana in olieverf de ogen ten hemel op het ogenblik dat zij haar jawoord dreigt te geven. Bernhard kijkt terug alsof hij overweegt om nee te zeggen.

Professor Wolfson (68) is zijn aantekeningen kwijt.

'Geeft niet, hoor', zegt professor van Thijn (66). 'Jij wordt ook een dagje ouder.'

Iemand meldt dat de CDA-fractie in de Eerste Kamer van plan is een enquête in te stellen naar de zorg en de wachtlijsten.

Op Erik Jurgens na veert niemand overeind om te zeggen dat het verdorie tijd wordt ook.

'Het CDA is er zelf diep verdeeld over', zegt senator Stekelenburg.

'Prachtig!'

'En wat doen wij?' vraagt voorzitter Lycklama à Nijeholt.

'We zien wel.'

'Afwachten.'

'Aankijken.'

'Daar ga je, Erik', zegt de voorzitter.

Jurgens zelf haalt zijn schouders op. Wat moet je met dit stelletje, zie je hem denken. Geen beweging in te krijgen.

De vergadering komt bij de hoofdmoot, de voorbereiding van het komende debat over de onderwijsbegroting. De Wageningse landbouweminentie Rudy Rabbinge zal het Hoger Onderwijs doen. Hij opent zijn mond.

Op hetzelfde moment gaat Thijs Wöltgens een boek lezen, neemt Willem Witteveen zijn aantekeningen door, befluisteren Elske ter Veld en Fré le Poole een netelige kwestie en gaat Johan Stekelenburg in een hoekje mobiel zitten bellen.

Aan het slot leest Willem Witteveen het wekelijkse gedicht voor. Achterberg dit keer. 'Dit is een gedicht hoor!', zegt Ed van Thijn als het uit is. 'Geen fractiestandpunt.'

'Oh nee', zegt de voorzitter als iedereen al overeind komt. 'We hebben nog het gezamenlijke etentje.'

'Wanneer?'

'Twee juni.'

'Zit ik in Europa.'

'Negen juni.'

'Heb ik een begrafenis.'

'In juli dan?'

'Ben ik op reis.'

'Zo', zegt mijn buurman. 'Dat verdampt dus ook.'

Als iedereen de gang op is, komt Erik Jurgens naar mij toe.

'Wat moet je met dit stelletje?', zegt hij. 'Geen beweging in te krijgen.'

'Ik ben met een delegatie uit de Eerste Kamer bij de koningin op bezoek geweest. Bij haar hebben we veel inhoudelijker over bestuurskwesties gesproken dan we in de Eerste Kamer ooit gedaan hebben.'

(Prof. Willem Witteveen, 49 jaar, PvdA, hoogleraar rechten in Tilburg)

Op de laatste dinsdag van maart maak ik voor het eerst de core business mee, de behandeling van een wetsvoorstel. Het betreft hier eerder een wetje dan een wet en het gaat over de aardolievoorraden. De oppositie brengt bezwaren tegen het wetje onder woorden. De regeringspartijen niet. Die hebben een meerderheid van één stem. Wetje aangenomen.

Een dag later zit ik in het gemeentehuis van Heemstede tegenover Nicoline van den Broek-Laman Trip, burgemeester van die plaats en fractieleider van de VVD in de senaat. Ik vraag haar naar het aardoliewetje. Ze zegt dat haar fractie de bezwaren van de oppositie eigenlijk deelt. 'Wij vragen ons ook in rede af of het wel een degelijk werkstuk is, dat wetje.'

Waarom heeft u dan toch vóór gestemd? 'Ja, kijk eens, hier speelt mee dat het een wetje is van onze eigen VVD-minister.'

Weer een dag later zit ik in Vianen thuis bij Henk Hofstede, de oud-CNV-vakbondsleider die namens de oppositie het woord over het aardoliewetje voerde. Ik vertel hem wat ik in Heemstede gehoord heb. 'Ik weet het', zegt hij, 'zo gaat het vaak. De regeringsfracties zijn tegen een wet, soms zelfs heel sterk tegen. Maar dan stemmen ze toch voor, omdat ze nu eenmaal regeringspartij zijn.'

Ik dacht, zeg ik, dat de Eerste Kamer onafhankelijk en met distantie moet oordelen. 'Ja', zegt hij. 'Dat dacht ik ook.' Maar zo gaat het niet. 'Nee', zegt Henk Hofstede. 'Voor mij is dat de reden om vraagtekens te zetten bij het functioneren van de Eerste Kamer.'

'Ik zit in de bankjes tegenover Ed van Thijn, ik kijk geregeld naar dat berustende gezicht van hem en dan denk ik: tjonge, tjonge, Ed, wat vind jij nou echt? Ben je het in je hart niet met ons eens? Al hebben wij nog zulke goede argumenten waarom een wet niet deugt, de regeringspartijen vormen zo'n gesloten front dat je er niet doorheen komt. Ik vind die houding in strijd met de bestaansreden van de Eerste Kamer.'

(Ir. Gerrit Braks, 67 jaar, CDA, fractievoorzitter, ex-minister van Landbouw)

Is het waar? Stemmen regeringsfracties geregeld voor wetten die ze zelf ondeugdelijk vinden? En ondergraven ze daarmee het bestaansrecht van de Eerste Kamer die grondwettelijk juist bedoeld is om afstandelijk en zonder al te veel politieke binding te verhinderen dat het land met slechte wetten wordt opgescheept?

Spoorslags reis ik naar Tilburg om daar de rechtsgeleerde professor Willem Witteveen te ontmoeten. In de fractie van de PvdA is hij een hooggewaardeerd senator.

'Ja', zegt hij, 'het klopt. We doen ons werk niet goed.'

Willem Witteveen noemt de kwaliteit van de wetgeving in Nederland 'bedroevend'. 'Er komen wetten voorbij waarvan je denkt: hoe is het mogelijk?' Onderwijs is het absolute dieptepunt. Sociale Zaken is niet veel beter. Buiten-landse Zaken is goed, maar dat komt, dat heeft geen wetten. 'De gedachte is: oké, we maken een wet, maar we weten ook wel, in de praktijk gaat het anders.' Dat is iets, zegt Willem Witteveen, 'dat kan ik als jurist niet verkroppen.'

Hij noemt met naam en toenaam een serie slechte wetsvoorstellen die hij en zijn fractie hadden moeten afwijzen, maar waar hij en zijn fractie verdomme wel vóór gestemd hebben. De Nabestaandenwet. De Varkenswet. De Verzekering voor zelfstandigen. Er zijn gevallen bij waar hij 's nachts wakker van kan schrikken.

'Het komt', zegt hij, 'het is in de Eerste Kamer allemaal zo onderdanig als de pest. Nee, nee, nee, nooit met je vuist op tafel slaan! In mijn eigen fractie zijn het altijd dezelfde mensen, de drie of vier juristen, die zeggen: dit kan echt niet, nu moeten we iets doen. En het zijn altijd dezelfden, de anderen die geen jurist zijn, die zeggen, nee hoor, de Eerste Kamer is er niet om tegen te stemmen, dat kunnen we politiek niet maken. De anderen hebben de meerderheid. En dus keuren we wetten goed die we nooit of te nimmer aan hadden mogen nemen.'

'Ik heb het wel eens op dinsdag aan het einde van de vergaderdag dat ik bij mezelf denk, kom, nou moet ik weer eens aan het werk.'

(Kars Veling, 53 jaar, Christen Unie, schooldirecteur in Zwolle)

Een paar dagen later zit ik in Amsterdam tegenover professor Erik Jurgens die zo mogelijk nog harder van leer trekt tegen het stemgedrag van zijn eigen PvdA-regeringsfractie. 'Het valt niet mee, hoor, om wat fut in die Kamer en in mijn eigen fractie te krijgen. We moeten toezicht houden op de grondwettelijkheid, nou, ik verzeker u, daar komt niets van terecht. Zelfs als alle juristen tegelijk roepen, deze wet, dat kan echt niet, die moeten we niet aannemen, dan nog gaat de rest chagrijnig zitten kijken en roepen: kom op zeg, doe normaal. Je zit daar pour la derrière du chat je verhaal te houden. Luister, zeggen ze dan, wij vinden dat de Eerste Kamer politiek een terughoudende rol moet spelen. O ja? Waar staat dat? Daarmee plaats je jezelf toch buiten de macht, dan word je toch niet serieus genomen? Ik vind, we moeten met deze Kamer eindelijk eens zinnige dingen gaan doen en anders kunnen we hem beter afschaffen.'

'Er zitten in de Eerste Kamer maar een paar praktijkjuristen. Het gemiddelde Kamerlid is technisch niet voldoende uitgerust om wetsvoorstellen tegen het licht te houden.'

(Mr. Rob van de Beeten, 46 jaar, CDA, advocaat te Zevenaar)

Ik ga bij de andere regeringsfracties langs en teken vergelijkbare geluiden op van mooi praten maar lelijk stemmen. Ergens tussen Groningen en Assen brengt Jan van Heukelum (VVD) zijn dagen door met vrij uitzicht op de herten. Eens in de week levert de postbode een torenhoge stapel af met stukken van de Eerste Kamer. Lees je die nou allemaal, Van Heukelum?

'Man! Ben je bedonderd?'

Jan van Heukelum had voordat hij in de Eerste Kamer kwam, niet gedacht dat de senaat zo 'ontzettend politiek' zou zijn. 'Onze taak is toch primair het toetsen van wetten op rechtstatelijkheid, handhaafbaarheid en dat soort zaken. Kortom, de kwaliteit van de wetgeving. Nou, vergeet het maar. Aan het einde van de rit wordt er gewoon een politieke afweging gemaakt. Je ziet zoveel wetten waarvan je denkt, dat kan eigenlijk niet. In kwalitatief opzicht soms zelfs hele slechte wetten. Maar dan stem je uiteindelijk toch vóór. Ik denk wel eens: als het zo doorgaat, hebben we drie Kamers nodig om dit land aan een fatsoenlijke wetgeving te helpen.'

'Ik zit er nu achttien jaar in en als ik eerlijk ben, moet ik zeggen: ik kijk met steeds meer vraagtekens naar de Eerste Kamer. Wat je ziet, is een ontzettend sterke politisering. Die zorgt ervoor dat hele slechte wetten die echt afgestemd zouden moeten worden, ongewijzigd door de Eerste Kamer komen. Hoe vaak is het niet voorgekomen dat wetten die wij aannemen in de praktijk volkomen onderuitgehaald worden en door de rechter soms zelfs gekraakt?

Ik vind dat het fiasco van de Eerste Kamer.'

(Egbert Schuurman, 64 jaar, Christen Unie, fractieleider, hoogleraar wijsbegeerte)

Het zou zo mooi kunnen zijn.

Juist in die zachtverende entourage van het Eerste-Kamergebouw, in die omgeving waar het woord actualiteit de lading heeft van een krachtterm, juist daar zouden de verzamelde wijze oude mannen en vrouwen de buitensporige regelgeving in dit land met gezag kunnen indammen. Wat is er op tegen als het wetgevende broddelwerk van de Tweede Kamer, niet zelden aan elkaar hangend van politieke kippendrift en gewrongen achterkamertjes-compromissen, in rede nog eens bekeken wordt op zaken als praktische uitvoerbaarheid en strijdigheid met de Grondwet?

Niets.

Alleen, het gebeurt niet.

Het is zoals Ed van Thijn het onder woorden brengt: 'Wij houden hier prachtige debatten op niveau, zeker. Maar als puntje bij paaltje komt, gedragen we ons net zo politiek als de Tweede Kamer. Dan stemmen we voor waar we tegen zijn en tegen waar we voor zijn. Persoonlijk vind ik dat frustrerend.'

Natuurlijk dateert het verschijnsel van de stem tegen de eigen overtuiging niet pas van dit paarse tijdsgewricht. Ook in de dagen dat het CDA heer en meester was, volgde de Kamer gehoorzaam de belangen van de heersende coalitie. Zelfs in de tijd van wijlen de CDA-fractieleider Kaland is er nooit een wetsvoorstel verworpen. Beroemd zijn de debatten waarin genoemde Kaland de vloer aanveegde met een regeringsvoorstel waarna hij, als er niets meer van over was, met zijn Zeeuws-gedragen stem uitriep: 'En dus stem ik vóór.'

Wel nieuw is de ongemakkelijke meerderheid waarover de paarse regeringspartijen dezer dagen beschikken. Precies één stem. Er hoeft maar één dappere zijn geweten te volgen en de regering ligt onderuit.

Zo'n dappere is er niet.

En dus fungeert het Hoge Staatsorgaan dat de Eerste Kamer is, week in week uit pro forma.

'Wij zijn er om een cultuur van zorgvuldigheid te bevorderen, dat klinkt slap, maar dat is wel ons werk. Vroeger deden we dat. Nu heeft het monisme toegeslagen. De regeringspartijen reageren panisch, ze hebben maar één stem meer. Ik hoor ze in de wandelgangen totaal andere dingen zeggen dan in de vergaderzaal. Voor de Eerste Kamer vind ik dat een bloody shame. Als we niet naar ons geweten stemmen, zijn we geen knip voor de neus waard.'

(Jos van Gennip, 62 jaar, CDA, ex-directeur van het wetenschappelijk partijbureau)

Zeker, de Eerste Kamer wordt gehinderd door het feit dat ze alleen ja of nee mag zeggen tegen een wetsvoorstel. Ze mag er niets aan veranderen. En daarbij komt, het gaat toch niet aan als een niet rechtstreeks door het volk gekozen orgaan bij voortduring wetten verwerpt die de wel rechtstreeks gekozen Tweede Kamer in orde heeft bevonden.

Nee, dat gaat niet aan.

Maar zo weinig heldhaftigheid als de Eerste Kamer dezer dagen aan de dag legt, dat is het andere uiterste.

Ja maar, zeggen de wat volgzamer Eerste-Kamerleden, dat komt door onze beperkte bevoegdheden. We zouden, al is het door een achterdeurtje, wel wijzigingen moeten kunnen aanbrengen. Of we zouden slechte wetten naar de Tweede Kamer moeten kunnen terugsturen. Als we meer bevoegdheden hadden, zouden we heus wel scherper optreden!

Ik heb het voor deze zittingsperiode nagekeken. Welke bevoegdheden heeft de Eerste Kamer? En in welke mate hebben de dames en heren senatoren de afgelopen twee jaar van die bevoegdheden gebruikgemaakt?

Ze hebben de bevoegdheid om moties in te dienen. Dat hebben ze met hun vijfenzeventigen in twee jaar tijd vijftien keer gedaan. Eenvijfde motie per Kamerlid. Of veroordeelde verslaafden niet wat eerder in behandeling kunnen komen. Of hele goeie studenten geen extra geld kunnen krijgen om een tweede studierichting te volgen. En of de invoering van de Taxiwet niet een jaar later kan.

Ook heeft de Eerste Kamer de bevoegdheid om het kabinet te interpelleren. Eén keer gedaan. Of de Eerste Kamer net zo sterk als de Tweede Kamer gebonden is aan het regeerakkoord. Nee, natuurlijk niet.

De bevoegdheid dan om een enquête te houden. Nul keer gedaan.

De bevoegdheid om vragen te stellen. Vijfentwintig keer gedaan, eenderde vraag per Kamerlid. Over de vervolging van katholieken in de Volksrepubliek China, het bedreigde bos bij Heumensoord, de muskusrattenbestrijding, de erkenning van het Limburgs als streektaal en het voornemen om het consulaat-generaal in Melbourne te sluiten.

En ten slotte: de bevoegdheid om wetten te verwerpen. Twee keer gedaan. Eén keer omdat de Kamer zich onheus bejegend voelde. En één keer om te voorkomen dat milieugevaarlijke bedrijven hun beoordeling zelf moeten betalen.

En het achterdeurtje?

Dat heet in de Eerste Kamer een novelle. Dan wijzigt de Eerste Kamer een wetsontwerp niet. Maar dan verzoekt de Eerste Kamer de minister zelf een wijziging aan te brengen. In de Eerste Kamer wordt de novelle als hét wondermiddel gezien om iets te bereiken.

Hoe vaak gebruikt? Zes keer, waarvan één keer op inhoudelijke gronden.

'Ik vind de Eerste Kamer absoluut overbodig. Ik heb het idee dat men zich daar te vaak gemankeerde Tweede-Kamerleden voelt. Naar mijn indruk praten ze in de Eerste Kamer vooral over de amendementen die de Tweede Kamer heeft aangebracht en niet zozeer over de juridische houdbaarheid van de voorgestelde wetten. Ze sleutelen aan de politieke compromissen die wij hebben gesloten. Ik zie de meerwaarde van de Eerste Kamer niet. Realistisch als ik ben zou ik om te beginnen van naam willen wisselen. In elk buitenland is 'het huis van afgevaardigden', onze Tweede Kamer, de belangrijkste Kamer. Die heet daar dan ook de 'Eerste Kamer.' Laten we onze Eerste Kamer maar de Tweede Kamer gaan noemen en onze Tweede Kamer de Eerste.'

(Jeltje van Nieuwenhoven, PvdA, 57 jaar, voorzitter van de Tweede Kamer)

Na de PvdA mag ik van het CDA en de VVD ook een fractievergadering bijwonen. Het moet wel op dezelfde dag, zo hebben de beide fractievoorzitters onderling geregeld. De eerste helft van de VVD-vergadering en de laatste helft van de CDA-vergadering.

Rond beide tafels zitten louter mensen die de rest van de week ergens anders rond de tafel zitten. Beroepsbestuurders die gewend zijn om een agenda snel en ordelijk af te werken. Veel staat er dit keer niet op. Voor de komende weken heeft de Eerste Kamer, bij gebrek aan onderwerpen, geen vergaderingen gepland.

Bij de VVD gaat de meeste tijd op aan interne partijkwesties. Van Eekelen heeft de VVD-buitenlandwoordvoerders op één lijn gekregen. Enkele korte aantekeningen van senator Rosenthal passeren de revue waaruit blijkt dat de VVD op de komende wetjes weinig aan te merken heeft. Rosenthal wil niet alleen de witgewassen opbrengst van misdrijven maar ook die van strafbare feiten in de staatskas teruggestort zien.

Dan komt het optreden van VVD-senator Heleen Dupuis in het tv-programma Buitenhof aan de orde. Daar heeft ze het liberale standpunt over de euthanasie tegen de nationale en internationale kritiek verdedigd. Ze vindt haar geweten zeker zo rein als dat van haar christelijke tegenstanders.

'Klasse, Heleen!'

'Buitengewoon goed!'

'Helder!'

'Zo moeten we ons standpunt uitdragen!'

Als ik even later bij de CDA-fractie ben aangeschoven, komt daar juist het optreden van Heleen Dupuis bij Buitenhof ter sprake.

'Schandelijk.'

'Moeten we niet op ons laten zitten.'

'Ze gooide ons op één hoop met klein rechts.'

Ook hier lijdt de vergadering onder een tekort aan agendapunten. Voor we het weten, zijn we bij de rondvraag. Senator Yvonne Timmerman-Buck meldt dat ze een column geschreven heeft voor de website van de Eerste Kamer. Dat doen alle senatoren, eens in de week, om de beurt. Men is toe aan aflevering 48.

'De mijne ging over de euthanasiekwestie', zegt Yvonne Timmerman-Buck. 'Maar hij is geweigerd!'

'Geweigerd?', roept de vergadering verbaasd. 'Door wie?'

'Door de ambtelijke leiding van de Eerste Kamer!'

'Waarom?'

Het antwoord slaat de fractie met stomheid.

'Omdat de inhoud te politiek was!'

Een politiek orgaan dat terugschrikt voor een politieke column: het verbijsterd CDA-gelach moet tot in de belendende VVD-vergaderzaal te horen zijn geweest.

'Ik zit nu veertien jaar in deze Kamer, ik moet zeggen, zo gering als het effect in deze periode is, heb ik het nog niet meegemaakt. Nee, we dragen erg weinig bij aan de verbetering van slechte wetten. Ik vind tot mijn verdriet dat wij onze taak niet naar behoren vervullen. Als ik naar onze grondwettelijke positie kijk, dan moet ik zeggen: op de essentiële momenten schieten wij schromelijk tekort.'

(G. Holdijk, 57 jaar, SGP, fractievoorzitter)

Hoe kan het dat dit Hoge Staatsorgaan naar eigen zeggen de essentiële taken niet naar behoren uitvoert, terwijl een meerderheid van de leden toch reuzehoog opgeeft van haar betekenis?

De één roemt de grondigheid van de debatten, ook als ze op niets uitlopen. Een ander prijst het belang van de wijzigingen die de Eerste Kamer zo nu en dan weet door te drukken zonder de regering de pin op de neus te zetten. Ja maar, zegt een derde, heb je er wel aan gedacht hoe groot onze invloed is op wetsvoorstellen die nog in de maak zijn?

De Eerste Kamer als ja-maar-Kamer. We slaan niet met onze vuist op tafel, ja, maar, en dan volgen er zoveel jamaar dits en jamaar dats dat het nog heel wat lijkt als je ze bij elkaar op een hoop veegt.

Goed, zegt senator Rob van de Beeten (CDA) in zijn advocatenkantoor te Zevenaar. We veranderen niets aan wetten, ja. 'Maar ondertussen zit er bij elke discussie een leger ambtenaren op de tribune en die houden bij een volgend wetsvoorstel echt wel rekening met wat wij gezegd hebben!'

Goed, zegt senator Alfons Dölle (ook CDA) in zijn werkkamer op de Groningse Universiteit. Als je kijkt naar het debat, houdt het niet over, ja. 'Maar het gaat om de schriftelijke voorbereiding, want daarin komen wij terug op de wetenschappelijke bezwaren tegen wetsvoorstellen die er na de behandeling door de Tweede Kamer in de vaktijdschriften zijn gepubliceerd!'

Zo mogen we ook niet vergeten dat 'rechters bij hun uitspraken wel degelijk nalezen wat er in de Eerste Kamer over een wet gezegd is' (Jan van Heukelum, VVD) en dat er 'al is het op de vierkante millimeter, toch toezeggingen van de regering loskomen' (Geertje Lycklama, PvdA) en dat 'wat wij zeggen voor het kabinet wel degelijk meerwaarde heeft' (Nicoline van den Broek, VVD), want dat, om kort te gaan, het effect van de Eerste Kamer 'moeilijk te meten, maar daarom nog niet gering is' (Frits Korthals Altes, VVD en Kamervoorzitter). ›

Moet je de jamaar-Eerste-Kamerleden geloven, dan komt er in hun vergaderzaal elke dinsdag een vriendenclub bijeen die dwars door de politieke tegenstellingen heen en in uitzonderlijke harmonie de regering voorziet van voortreffelijke, op een diepgaande kennis van de maatschappij berustende, toekomstadviezen.

Goed, goed, goed, zeggen ze. We stemmen geen wetten af, we dienen amper moties in, we houden saaie begrotingsdebatten en we stellen weinig vragen. Ja, maar dat betekent niet dat we helemaal geen invloed hebben. Onze Kamer brult niet. Maar ze fluistert effectief.

'Hier leer je de invloed te relativeren die het politiek debat heeft op de alledaagse maatschappelijke praktijk.'

(Eddy Schuyer, 61 jaar, fractievoorzitter van D66, ziekenhuisdirecteur in Albrandswaard)

Of speelt er bij de vreugde van veel Kamerleden over hun lidmaatschap iets anders mee dat mogelijk een tikkeltje minder verheffend is? Eén blik op de ledenlijst is voldoende om vast te stellen dat de Kamer vol zit met beschadigde ex-ministers en weggepromoveerde ex-Tweede-Kamerleden. Het grapje gaat rond. Hoe word je Eerste-Kamerlid? Door je in de Tweede Kamer als bewindsman weg te laten sturen.

Zo zit de ex-VVD-minister Wim van Eekelen (weggestuurd wegens de paspoort-affaire) in de groene bankjes broederlijk naast de ex-CDA-staatssecretaris René van der Linden (idem) en deelt Elske ter Veld (PvdA, WAO-affaire) haar plaats zusterlijk met Gerrit Braks (CDA, visserijkwestie). Ed van Thijn (PvdA, IRT-affaire) kon het tot voor kort in de Kamer prima vinden met Ernst Hirsch Ballin (CDA, idem) en Thijs Wöltgens (PvdA, halfgelukt fractievoorzitter) met Winnie Sorgdrager (D66, driekwart mislukt minister). Hirsch Ballin en Sorgdrager hebben de Kamer intussen de rug toegekeerd.

'Als je twintig jaar op de voorpagina's van de kranten gestaan hebt, kan het niet anders of je bent verslaafd geraakt aan het Binnenhof. Raak je uit de gratie, wat moet je dan? De Eerste Kamer is er ook om een cold turkey te vermijden. Ga daar maar heen, kan je rustig afkicken. Het is de Jellinek-kliniek voor aan lager wal geraakte politiek verslaafden.'

(Jacob Kohnstamm, 51 jaar, D66, ex-staatssecretaris)

Sommige ex-politici doen er niet moeilijk over. In het boudoir van Mary Stuart vertelt Ed van Thijn dat hij 'het prettig vindt om er nog een beetje bij te horen'. Hij is minister geweest, fractievoorzitter, burgemeester, 'ik vind het wel grappig om nog een tijdje in de coulissen mee te draaien. Noem het een ontwenningsproces.' En Thijs Wöltgens zegt dat hij zó lang met Den Haag vergroeid is geweest, 'ik zou het jammer vinden als dat in één klap over was.'

Men zou eenvoudig kunnen zeggen: het zij ze gegund. Maar hun overmatige aanwezigheid - van de vijfenzeventig Eerste-Kamerleden zijn er tien eerder bewindsman geweest en hebben er zestien eerder in de Tweede Kamer gezeten - heeft wel gevolgen De ex-politici hebben iets gemeen dat hen van de andere Kamerleden onderscheidt. Ze hebben zelf als minister in de Eerste Kamer achter de regeringstafel gezeten, blij dat hun wetsontwerp er heelhuids doorheen kwam of boos dat het werd verworpen. Of ze hebben zich als Tweede-Kamerlid groen en geel geërgerd aan 'die lui aan de overkant' die altijd proberen terug te draaien wat de Tweede Kamer na harde onderhandelingen bereikt heeft. Ze hebben, kortom, een ongezond groot begrip voor de regering en anders wel voor de compromissen van hun vroegere Tweede-Kamer-collega's. En ze hebben nóg minder de aan- vechting dan de andere Kamerleden om een keer overeind te komen en nee te zeggen.

Prof. Egbert Schuurman, Christen Unie, is veruit het langstzittende Eerste-Kamerlid. Hij heeft, zegt hij, de opkomst van de ex-bewindsman en het ex-Kamerlid met lede ogen aangezien. 'Vooral in de laatste twee periodes zijn ze binnengerukt', zegt hij. 'Als het spannend wordt, zijn zij de eersten die roepen: geen gezeur, we gaan hier niet aan politiek doen. Je kan het de partijen niet voorschrijven, maar ik zou het beter vinden als er geen oud-ministers in de Eerste Kamer zaten. Aan een verbetering van ons werk leveren zij geen bijdrage.'

'Ik denk dat we blij mogen zijn dat de Eerste Kamer zo verpolitiekt is. Als we de wetten alleen technisch zouden bekijken, dan zou je de poppen pas echt aan het dansen hebben. Dan kwam er niet één wet door.'

(Martin Bierman, 62 jaar, lid van de eenmansfractie OSF, planoloog)

'Laat ik eerlijk zijn', zegt Jan van Heukelum eerlijk, 'het is gewoon leuk om in de Eerste Kamer te zitten.'

Dat vindt zo goed als elk Kamerlid.

Ze brengen, zeggen ze, de dinsdag door in een 'alleraangenaamste omgeving' (Nicoline van den Broek) die ze in de gelegenheid stelt om 'buiten de schijnwerpers en de voorpagina's' (Paul Luijten) een 'teen in het politieke bad te houden' ( Elske ter Veld) zonder dat ze (Wim de Boer) 'per se moeten scoren', dan wel (Ed van Thijn) 'op alle slakken zout moeten leggen.'

En ze genieten allemaal van de 'enorme status' die het Eerste-Kamerlidmaatschap met zich meebrengt. Want ook al is het zo dat het belang van de Tweede Kamer zich tot dat van de Eerste Kamer verhoudt als 'het Carnaval van Rio tot de Zangvereniging Veendendaal-de Klomp' (Diana de Wolff) en ook al 'komt er nooit een hond op af en mijden journalisten ons als een besmettelijke ziekte' (dezelfde spreekster), toch krijgt het Tweede-Kamerlid in de wandeling het verwijt dat hij zijn zakken vult, dat hij 'niet voor, maar van de politiek' leeft (Uri Rosenthal) terwijl het Eerste-Kamerlid op een 'haast monarchale' (Jos van der Lans) waardering onthaald wordt.

'Ik praat positief over de Eerste Kamer. Hopelijk doe ik dat niet om de zinloosheid van mijn bestaan te ontkennen.'

(Alfons Dölle, 54 jaar, CDA, hoogleraar staatsrecht te Groningen)

In de kamer van Johan de Wit komt de fractie van GroenLinks in vergadering bijeen. Cobi Schoondergang heeft bericht van verhindering gestuurd. Ze is met een delegatie Eerste-Kamerleden op werkbezoek bij de koningin.

'Ik ga niet als ze mij vraagt.'

'Ik ook niet.'

Door de werkkamer van de vroegere raadspensionaris waait de wind van zijn onversneden republikanisme.

Ook met de Eerste Kamer heeft de vergadering weinig op. Van Diana de Wolff mag die 'morgen met de vuilnisman mee'. Jos van der Lans vraagt zich driemaal daags af: 'Wat doe ik hier eigenlijk?' Fractieleider Wim de Boer vindt het kamerwerk 'triviaal, dat kan je niet ontkennen'. En Bob van Schijndel lacht zich suf zodra één zijner mede-senatoren weer eens een hoge borst opzet.

Die oppositionele grondhouding kleurt de vergadering.

'Doe jij vandaag de vergadering van fractievoorzitters, Diana?'

'Graag', zucht zij.

'Het uitje van de week!'

Binnenkort zal de Kamer met Tineke Netelenbos spreken.

'Waarover?'

'Er zijn twee thema's. Openbaar vervoer en water.'

'Misschien moeten we het dan maar over het openbaar vervoer te water hebben.'

De respectieve bijdragen voor de komende Kamerdebatten worden min of meer voor kennisgeving aangenomen.

Aan het slot vertelt Wim de Boer dat er bij de Kamer al dertigduizend brieven zijn binnengekomen voor of tegen de Euthanasiewet.

'Zullen we vragen of we daar allemaal een kopie van kunnen krijgen?

'Heel goed! Brengt het einde van de Eerste Kamer aanzienlijk dichterbij!'

'Ze noemen mij hier 'ons kind'. De oudere vrouwen in de Kamer bemoederen me graag. 'Dat heb je goed gezegd, jongen', zeggen ze als ik een toespraak heb gehouden. 'Maar moet het nou zo hard?' Het heeft allemaal iets kneuterigs.

Ik vind, werk kan je het niet noemen, een kind kan de was doen. Het gemiddelde Eerste-Kamerlid doet in een jaar wat een Tweede-Kamerlid in veertien dagen doet. Het debat op zich is best interessant, maar er is niemand die de consequenties trekt uit wat hij zelf zegt. Toen ik hier binnenkwam, dacht ik in mijn naïeve jonkheid: deze mensen oordelen onafhankelijk. Maar dat doen ze niet. Ze reageren puur politiek. De Eerste Kamer is een politiek orgaan zonder slagkracht. Van mij mag hij liever vandaag dan morgen opgeheven worden. Als het ooit zover komt, zal het voor de bodes nog het ergste zijn.'

(Driek van Vugt, 21 jaar, SP, student te Leiden)

En dan, in het midden van april, beleeft de Eerste Kamer haar gloriedag: de behandeling van de Euthanasiewet. Op de perstribune hebben, voor het eerst sinds de nacht van Wiegel, journalisten plaats genomen. Voor de deur staan monniken weesgegroetjes te bidden. Dominees preken boete. Langs de ramen trekt een eindeloze stoet protestants-christelijke scholieren voorbij die vrij hebben gekregen om uit te dragen dat de levensbeëindi- ging een zaak van God moet blijven. Bij de portier zijn zeventigduizend brieven pro en contra bezorgd, hij spreekt van de postzakken van Simonis en de postzakken van Kohnstamm. De zakken van Simonis zijn tegen. De zakken van Kohnstamm voor. Die zijn binnengestroomd vanaf het ogenblik dat senator Jacob Kohnstamm, tevens voorzitter van de Vereniging Voor Vrijwillige Euthanasie, zijn leden heeft opgeroepen om een briefje te sturen als tegenwicht tegen de christelijke bezwaarmakers. Zo organiseer je als wetbeoordelaar je eigen gelijk.

De Kamer is in volle bezetting aanwezig en dat zal gedurende de avond en de dag die het debat duurt zo blijven. Er zijn momenten van emotie. Senator Schuurman (Christen Unie) vraagt zich af wat we van de wet zouden vinden als die in Duitsland werd aangenomen. Senator Dees (VVD) vindt die vergelijking schandelijk. Helemaal aan het einde barst de meest linkse senator Driek van Vugt in tranen uit, omdat de Kamer een motie over de ouderenzorg verworpen heeft die is ingediend door de meest rechtse senator Schuurman.

Voor het overige vindt er een hoogstaand debat plaats, waardig en op niveau. Van CDA (Yvonne Timmerman) tot GroenLinks (Diana de Wolff) brengen de senatoren hun lof en hun bezwaren onder woorden met de ernst die bij het onderwerp past.

Spannend is het niet. De afloop staat vast. De wet wordt aangenomen.

Na afloop komen verschillende Eerste-Kamerleden naar mij toe. 'Heb je het gezien? Dit is nou de Eerste Kamer. Wat een hoogstaand debat!' Dat was het inderdaad.

Maar toch.

Enkele maanden eerder heb ik het debat in de Tweede Kamer gevolgd. Daar werd geen vergelijking met Duitsland getrokken. En daar werd aan het einde niet geweend. Maar het was, kan ik met twee vingers in de lucht verzekeren, zeker geen minder hoogstaand debat. Ook daar brachten de sprekers van links tot rechts hun lof en hun bezwaren zorgvuldig onder woorden. Dezelfde lof. En dezelfde bezwaren.

Want hoe hoogstaand het debat in de Eerste Kamer ook was, ik heb er geen argument in gehoord dat in de Tweede Kamer niet ook al naar voren gebracht werd, geen vraag die daar niet ook gesteld werd en geen puntje van kritiek dat daar niet ook al werd vernomen.

Als alle kruitdampen opgetrokken zijn, vraag ik het aan senator Holdijk van de Staatkundig Gereformeerde Partij, de meest geharnaste tegenstander van de Euthanasiewet. Heeft u zelf iets gezegd dat uw collega in de Tweede Kamer niet ook al gezegd heeft? 'Nee', zegt hij. En heeft u van anderen een argument gehoord dat in de Tweede Kamer niet ook al naar voren gebracht is? 'Nee.'

'Maar in dit geval', zegt hij, 'was het goed om alles nog een keer te zeggen.'

Dat is de Eerste Kamer.

Geen chambre de réflexion, zoals de leerboekjes willen, geen Kamer van bezinning. Maar een chambre de doublure, een Kamer van herhaling.

'Je komt hier als nieuweling binnen, je denkt, nou ga ik los. Dan merk je dat je in een ritueel moet treden. Dat wil je niet, je verzet je ertegen. Dat helpt niet, je moet wel. Je houdt je mond en je gaat meedoen aan het ritueel. Pas als het zo ver is, dan pas ben je tot de Eerste Kamer toegetreden.'

(Jos van der Lans, 47 jaar, GroenLinks, publicist te Amsterdam)

Politiek is in Nederland beroepswerk geworden. Op de bankjes van de Tweede Kamer en in de raden van de grotere gemeenten zitten professionals die van de vroege ochtend tot de late avond het volk vertegenwoordigen. De tijd dat postbodes en leraren, verpleegsters en sigarenwinkeliers het in hun vrije tijd erbij deden, ligt al lang achter ons.

Behalve dan in de Eerste Kamer, wat op zichzelf een zegen is. Eén laatste plek in het staatsbestel waar de geachte afgevaardigde uit eigen ervaring weet hoe het in het volle leven toe gaat.

De Eerste-Kamerleden gaan daar prat op. Ze roemen hun gezamenlijk arsenaal aan 'maatschappelijke binding', aan 'ervaring in de alledaagse praktijk' en aan 'zicht op wat er in de samenleving leeft'. Hun vergaderzaal, zeggen ze, is gevuld met amateurs die één dag in de week politicus zijn en voor het overige hun brood buiten de Haagse stolp verdienen. Samen bestrijken ze een keur aan levensgebieden, van het onderwijs tot de ziekenzorg, van de ecologische landbouw tot de energievoorziening en van de rozenkwekerij tot de in- en uitgaande vluchten op Schiphol.

Ik sla de ledenlijst erop na. Een beetje Eerste-Kamerlid is als het even kan hoogleraar (15) of anders wel advocaat (5), burgemeester (4), hooggeplaatst ambtenaar (4), rechter (2) of zelfstandig gevestigd adviseur. Maar een leraar en een verpleegster zal men vergeefs in hun midden zoeken. Laat staan een timmerman of een melkbezorger.

Want als de Eerste-Kamerleden een afspiegeling vormen van het volle leven, dan toch van het volle bestuurlijke leven. Gezamenlijk hebben ze in heden en verleden een berg nevenfuncties op hun naam gebracht die een normaal mens met stomheid slaat. De CDA-fractie (20 leden) komt op 469 commissariaten, adviseurschappen, toezichthouderijen en overige bestuursfuncties. De VVD-fractie (19 leden) heeft er 412. De PvdA (15 leden) komt op 387. Van de Geldersche kastelen tot de Onze Lieve Vrouwenkerk in Breda, van Delta Lloyd tot de ABN, van de NS tot de KLM en van de Rabobank tot de Grontmij mag zo ongeveer elke ideële, kunstzinnige of commerciële instelling in dit land zich verheugen in de bestuurlijke betrokkenheid van ten minste één Eerste-Kamerlid.

'Ik denk dat wij heel goed in staat zijn om nadrukkelijk met het dagelijks leven in aanraking te komen. Als burgemeester bezoek ik eens in de twee jaar alle scholen in mijn gemeente.'

(Nicoline van den Broek-Laman Trip, 63 jaar, VVD, fractievoorzitter, burgemeester van Heemstede)

We naderen het hart van het mysterie dat Eerste Kamer heet.

Hoe kan het dat de drukbezette mensen die de meeste Eerste-Kamerleden zijn met zoveel plezier zoveel tijd besteden aan iets dat er zo weinig toe doet?

Weer reis ik naar Tilburg, dit keer naar het gemeentehuis waar ik burgemeester Johan Stekelenburg ontmoet. Waarom is hij, toch geen man met een lege agenda, ook nog lid van de Eerste Kamer? Daar doet de burgemeester niet besmuikt over.

'Omdat ik daardoor informatie krijgt die ik anders nooit krijg, omdat ik voeling houd met de Haagse wereld, omdat ik al doende bij mijn eigen partij betrokken blijf en omdat ik vanuit de Eerste Kamer heel makkelijk toegang krijg tot departementen en bewindslieden.'

'Krijgt u makkelijker toegang als Eerste-Kamerlid dan als burgemeester?'

'Absoluut. Tegen een burgemeester kan een minister of een hoge ambtenaar zeggen: over twee maanden heb ik tijd voor je. Tegen een Eerst-Kamerlid niet.'

Daar maakt u gebruik van?

'Voor Tilburg? Jazeker. Ik noem maar. We hebben hier een nieuwbouwwijk. Daar lopen rails doorheen, maar daar is geen station. De politiek deed daar moeilijk over. Ik heb het toch voor elkaar gekregen. Omdat ik in de Eerste Kamer zit, kreeg ik gemakkelijk toegang en een welwillend oor.'

Alleen het feit al, zegt Johan Stekelenburg, dat je in de Eerste Kamer elke dinsdag vijfenzeventig beslissers ontmoet, maakt de reis naar Den Haag de moeite waard. Tussen die mensen lopen nu eenmaal ontzettend veel verbanden. 'Ik ben commissaris van de KLM, VVD-collega Luijten is iets hoogs op Schiphol. Is er iets, dan praten we in de Kamer even met elkaar. Heb ik de volgende dag een brief van Schiphol-directeur Cerfontaine op mijn bureau liggen, of ik langs wil komen. Zo werkt dat. Ik doe iets bij het Tuberculosefonds. Senator Jan Terlouw is voorzitter van het Leprafonds. Die zouden moeten fuseren, maar dat ligt moeilijk. Dus dan praten we in de Kamer over hoe dat aangepakt moet worden.'

De Eerste Kamer als besloten vrijmarkt voor de Nederlandse bestuurder.

Geen wonder dat de animo om senator te mogen worden bij alle partijen verbazingwekkend groot is.

De treinen rijden niet, er staan files van Keulen tot Wuustwezel, VVD-senator Uri Rosenthal, netwerker van nature, komt twee uur te laat op de afspraak. Geen nood, zegt hij, hij is aan lange werkdagen gewend. Hij gaat ervoor zitten en legt uit dat het belang van de Eerste Kamer niet zozeer in de vergaderzaal schuilt als wel daarbuiten. 'In de Eerste Kamer kom ik met een wekelijkse regelmaat mensen tegen die iets te zeggen hebben en met wie ik anders geen afspraak kan maken binnen vier weken tijd. De dwarsverbanden daar zijn legio. We praten met elkaar van alles door, nee, natuurlijk zul je ons op zulke momenten in de vergaderzaal niet aantreffen. Ik moet zeggen, het communiceert erg makkelijk in de entourage van dat mooie Eerste-Kamergebouw.'

Een week na dit gesprek raakt Uri Rosenthal in opspraak. Redacteur van deze krant Joep Dohmen meldt dat het Crisis Onderzoeks Team, waar Uri Rosenthal directeur van is, in ministerkamers en bij de hogere ambtenaren kan rekenen op een onreglementaire voorkeursbehandeling.

'Welke Nederlander zou het niet prachtig vinden om een minister of zelfs de minister-president te mogen toespreken? En dan moet die nog luisteren en antwoord geven ook! Prachtig toch! Maar of het iets toevoegt aan ons staatsbestel? Ik dacht van niet.'

(Wim de Boer, 63 jaar, fractievoorzitter van GroenLinks)

Op perron nul verzamelen zich schuldbewust de rokers. Tineke Lodders, CDA, steekt een sigaartje aan. Nicoline van den Broek, VVD, heeft het hare al bijna op. Ze zegt dat de Eerste Kamer een stuk minder leuk is nu er in de centrale hall niet meer gepaft mag worden. Bij de deur naar de vergaderzaal staat het massief houten sigarenpeukenkastje ongebruikt te wezen. Het kastje heeft vijfenzeventig vakjes, voor elk Kamerlid één. In dat kastje hebben de senatoren sinds mensenheugenis hun bolknakken te ruste gelegd wanneer ze de zaal in moesten om daar het woord te voeren. Het kastje heeft alles gezien en gehoord.

Dat de liberaal Thorbecke, de schrijver van de Grondwet, al tegen de senaat was die hij een instelling noemde 'zonder grond of doel'. Dat de christen-democraat Groen van Prinsterer er evenmin iets van moest hebben. En dat de socialisten ten tijde van Den Uyl het instituut liever vandaag dan morgen wilden opheffen.

Het mysterie van de Eerste Kamer. Alle aanslagen op haar bestaan heeft ze honderdachtentachtig jaar lang overleefd.

De Eerste Kamer anno nu. Op een enkeling na is niemand er tevreden over. Op een enkeling na praat niemand over opheffing. Het instituut zal nieuwe aanslagen ook overleven. Zelfs als die van het nieuwe Europa komen waarin Nederland niet meer zal zijn dan een provincie. Want de Eerste Kamer is een geheim genootschap dat in het openbaar functioneert.

Van weinig belang voor het land.

Maar van groot belang voor de leden. M

Gerard van Westerloo is freelance journalist.

Roel Visser is freelance fotograaf. Hij publiceert o.m. in HP/De Tijd, Elsevier en Het Parool. Vorig jaar verscheen zijn jongste fotoboek 'Hier in Holland'.

[streamliners] 'Zodra ik dat prachtige gebouw binnenstap, valt alle vorm van dynamiek van mij af. Iedereen heeft alle tijd van de wereld, niemand maakt zich ergens druk over. Zelfs de bodes gaan rond met slome tred.'

'Gelooft u mij, elk voorstel tot verandering heb ik al drie of vier keer langs zien komen.'

'Het valt niet mee, hoor, om wat fut in die Kamer en in mijn eigen fractie te krijgen. We moeten toezicht houden op de grondwettelijkheid, nou, ik verzeker u, daar komt niets van terecht.'

'Maar als puntje bij paaltje komt, gedragen we ons net zo politiek als de Tweede Kamer.'

'De Eerste Kamer is er ook om een cold turkey te vermijden. Daar kan je rustig afkicken.'

'Toen ik hier binnenkwam, dacht ik in mijn naïeve jonkheid: deze mensen oordelen onafhankelijk.'

'Omdat ik in de Eerste Kamer zit, kreeg ik gemakkelijk toegang en een welwillend oor.'