Europa krijgt uit VS vermogende ambassadeurs

George W. Bush benoemt, net als presidenten vóór hem, vrienden en financiële steunpilaren op mooie ambassadeursposten.

Clifford Sobel, aanstaand ambassadeur van de Verenigde Staten in Nederland, is niet de enige niet-carrière-diplomaat die ambassadeur wordt in Europa. Londen krijgt een vermogende paardenfokker, Parijs een miljardair uit de agribusiness.

Er is een gemeenschappelijke noemer tussen deze en veel andere recent benoemde Amerikaanse ambassadeurs: fondsenwerving voor de presidentskandidaat George W. Bush. Honderdduizend dollar is meestal een ondergrens, hoewel de onroerend-goedontwikkelaar die Praag kreeg aan 41.000 dollar genoeg had.

George W. Bush benoemt, net als presidenten vóór hem, vrienden en financiële steunpilaren op mooie ambassadeursposten. Desondanks roept het verschijnsel wel enige kritiek op. De in Parijs gestationeerde Washington Post-columnist David Ignatius schreef deze week over de tot dusver bekende Europese benoemingen: ,,De lijst hangt zo scheef naar politieke vriendjes en campagne-contribuanten dat het bijna lijkt op een zorgvuldige beraamde belediging van de Europeanen''.

Het gevolg van dit systeem is dat de beroepsdiplomaten de minder aantrekkelijke posten krijgen. Voor de ambassades in Libanon, Syrië, Estland, Eritrea, Pakistan, Korea en Laos werden onlangs ambassadeurs aangesteld uit de buitenlandse dienst. Hetzelfde geldt meestal voor de echt belangrijke posten als de NAVO in Brussel, Rusland, Israël en China.

Er is een tussencategorie: voormalige politici die als zwaargewicht naar een meestal belangrijke hoofdstad gaan. Voorbeelden uit de huidige oogst: ex-gouverneur Paul Cellucci van Massachussets in Ottawa en Howard Baker, ex-senator uit Tennessee en ex-stafchef van president Reagan, in Tokio. Berlijn kreeg ex-senator Dan Coats, die het ministerschap van defensie misliep.

In een aantal Europese hoofdsteden moet men misschien ongelukkiger zijn dan in Den Haag, waar een actieve internet-ondernemer komt met gebleken maatschappelijke belangstelling. Zwitserland krijgt een zakenman die met George W. Bush mede-eigenaar was van de Texas Rangers, Spanje een andere baseball-ondernemer, dit keer uit Seattle. Beiden steunden Bush lang en veel. Ierland kreeg een computer-miljonair die meer dan 600.000 dollar voor Bush overhad.

Nederland herinnert zich nog met enig ontzag Paul Bremer III, die jonge top-diplomaat die Nederland de kruisraketten moest verkopen. Vóór en na die tijd heeft Den Haag een gemengde oogst gehad. Met name van de parkeergarage-koning Kingdon Gould en de Pizza Hut-baas Howard Wilkins lieten geen verpletterende indruk achter. Serieuzer waren John Shad en Terry Dornbush, al was de ambassadeursstoel anderhalf jaar leeg voordat de laatste arriveerde, wat ook geen al te geïnteresseerde indruk maakte.

De huidige ambassadeur Cynthia Schneider en haar man waren jarenlang vrienden en fondsenwervers voor het echtpaar Clinton. Via haar kunsthistorische specialisatie op Rembrandt kende zij Nederland al jaren. Toen zij net was benoemd, en de gebruikelijke vraag werd gesteld of diplomatie geen vak was, sprak John Walsh, directeur van het J. Paul Getty Museum in Los Angeles, een geruststellend woord. Walsh, die met Schneider had samengewerkt in het Museum of Fine Arts in Boston, zei tegenover deze krant: ,,Het Amerikaanse systeem heeft vaak ambassadeurs opgeleverd van uitzonderlijk hoog kaliber, met grote wijsheid en oorspronkelijkheid van geest. Ik denk dat je in veel opzichten beter zó iemand kan hebben, dan een carrièrediplomaat die rechtstreeks uit Paraguay komt.''