Er zijn weer Thatchers nodig

Ze zijn geen pleitbezorgers van verandering, maar van de status quo: Tony Blair, Jacques Chirac of George W. Bush. Met een enkele uitzondering ontbreekt het de huidige politieke leiders aan de bezielende visie van een groot idee. Dat is de dood in de pot van de politiek, meent David Ignatius.

Wie de verzameling futloze politici ziet die op het ogenblik over de hele wereld aan de macht is moet haast heimwee krijgen naar de vrouw die wel eens de geschiedenis zou kunnen ingaan als de werkelijke politieke revolutionair van de vorige generatie: de Engelse IJzeren Dame Margaret Thatcher.

Hoe behoudend ze in naam ook was, Thatcher bracht een ingrijpende verandering teweeg in een land dat er bij haar aantreden, in 1979, wanhopig aan toe was. Ze mobiliseerde de latente politieke macht van de Britse middenklasse en vernietigde met behulp daarvan de echte behoudende krachten – links de vakbonden en rechts de adellijke Tory-elite – die haar land in een wurggreep hielden.

Tony Blair wordt geprezen om het dynamische nieuwe Engeland dat in de jaren negentig is opgekomen, maar hij plukt vooral de vruchten van de revolutie van Thatcher. Maggie sloopte het versteende Engelse klassenstelsel en bracht daar een cultuur voor in de plaats waarin slimme mensen de wens konden koesteren om rijk te worden – ongeacht wie hun ouders waren of waar ze vandaan kwamen. Zij maakte eindelijk een kapitalistische democratie van Engeland.

Stel de hartstochtelijke veranderingsgezindheid van Thatcher eens tegenover de huidige politieke leiders over de hele wereld. Die steken wel heel pover bij haar af. In de meeste grote industrielanden lijken de leiders er hoofdzakelijk op uit te zijn om aan de macht te blijven. Met een enkele uitzondering ontbreekt het hun aan de bezielende visie van een groot idee. Zij zijn geen pleitbezorgers van verandering maar van de status quo.

Neem Frankrijk. President Jacques Chirac moet op dit moment als de grootste politieke brekebeen worden aangemerkt. Zijn conservatieve partij suizebolt van de schandalen en de politieke verlamming en verloor onlangs in Parijs de burgemeestersverkiezingen. En door vast te houden aan de traditionele symbolen van de Franse macht in de Europese Unie heeft Chirac het afgelopen jaar weten te bewerkstelligen wat vijftig jaar lang ondenkbaar was: een openlijke breuk tussen Frankrijk en Duitsland over de toekomstige vorm van Europa. Die breuk was deels te wijten aan de moeite die Chirac heeft om creatief te reageren op veranderingen die worden voorgesteld door een van de weinige vernieuwers op het toneel, de linkse belastingverlager bondskanselier Gerhard Schröder.

Het falen van Chirac is leerzaam, want hij begon veelbelovend. Hij leek korte metten te gaan maken met de corrupte machtscentra van het socialistische bewind onder zijn voorganger François Mitterrand. Aanvankelijk nam Chirac voortvarende maatregelen ter beteugeling van de cultuur van begunstiging en vriendjespolitiek die bloeide onder Mitterrand. Maar eind jaren negentig leek de tank bij Chirac leeg te zijn.

Een veeg teken van Chiracs problemen was een column in de Europese editie van Business Week waarin de Franse conservatieven werd aangeraden hem voor de presidentsverkiezingen van volgend jaar te lozen – want de peilingen voorspellen dat hij gaat verliezen van de kleurloze socialist Lionel Jospin.

Wie is de kandidaat van de verandering? Die vraag stel ik geregeld aan mijn Franse vrienden en de meesten geven mij hetzelfde antwoord: niemand. Dat is jammer, want Frankrijk is – net als Groot-Brittannië twintig jaar geleden – klaar voor een economische en culturele doorbraak, mits er maar een politicus was die het dode hout zou kappen.

Hetzelfde beeld van stilstand geldt aan de andere kant van de wereld, in Japan. De kortgeleden afgetreden premier Yoshiro Mori was de vermoeide leider van een zeer vermoeide Liberaal-Democratische Partij die maar niet uit de tienjarige recessie weet te komen waar Japan al sinds het einde van zijn zeepbeleconomie aan lijdt. Mori belichaamde niet de noodzaak tot verandering.

Intussen zakt Japan weg in een nieuwe recessie terwijl machthebbers uit de Liberaal-Democratische Partij hun traditionele politieke spelletjes spelen. Een vriend van me in Singapore zei een paar maanden geleden dat het probleem in Japan en Frankrijk misschien wel hetzelfde is – het zijn stedelijke maatschappijen onder leiding van een politiek apparaat dat is geworteld in het agrarische platteland. Er komt alleen verandering onder een nieuwe, echt stedelijke politieke leiding die geen water in de wijn hoeft te doen tegenover de boeren.

Ik ben ervan overtuigd dat ergens een politieke stem voor het nieuwe Japan te vinden is. De jonge Japanners die ik spreek zeggen er niets voor te voelen om de oude Japanse zeepbel en de cultuur die daarmee samenhing gewoon weer op te blazen. Ze willen geen `loonslaven' zijn en niet hun hele loopbaan voor een bedrijf werken dat hen volledig uitwringt. Ze willen een creatiever en flexibeler systeem. Mogelijk ontpopt zich er een dezer dager een Japanse versie van Maggie die eindelijk het oude stelsel omverwerpt en er iets nieuws en bevrijdends voor in de plaats brengt.

Dan zijn er nog de Verenigde Staten. Er kan veel gezegd worden van George W. Bush, maar hij is geen Maggie Thatcher. Hij lijkt toch nog een klein mannetje in een groot pak – beminnelijk maar nog niet op de proef gesteld en zorgelijk afhankelijk van het oude ploegje politieke adviseurs van paps. Als `W.' een bezielende politieke visie heeft – meer dan dat hij het publiek wat rust gunt na de bokkensprongen van Bill Clinton – dan heb ik die nog niet gehoord. Het is misschien een aardige vent, maar geen pleitbezorger van verandering.

Bush belichaamt een politieke beweging die over de hele wereld te zien is: de opkomst van de `zoons'. In Syrië is de oogarts Bashar Assad zijn vader Hafez opgevolgd en in Egypte wordt de zoon van president Hosni Mubarak klaargestoomd voor de politieke macht. In China staat een hele elite van kinderen klaar om de macht van hun vaders over te nemen.

Misschien zijn die zoons wel de ware symbolen van de politieke cultuur. Geen grootse denkbeelden of grootse plannen, gewoon verstandig beheer van de nalatenschap, en nog hartelijk bedankt. Ik heb wel een idee wat Margaret Thatcher over deze nieuwe heersende elite te zeggen zou hebben, maar dat is niet geschikt voor publicatie.

David Ignatius is columnist.

©LAT-WP Newsservice