Een ruige tsaar Boris met een klein hartje

Drie maanden na de opening van het Amsterdamse Muziektheater in september 1986, was Harry Kupfers controversiële enscenering van Boris Godoenov de eerste operavoorstelling van ècht belang in het nieuwe theater. De sinistere voorstelling ging over de nimmer eindigende machtsstrijd tussen de tsaar, de wereldlijke en kerkelijke autoriteiten, de bojaren, de landeigenaren en de usurpators, met het volk als eeuwig slachtoffer, meedogenloos afgetuigd door leger en politie. Kupfers desolate visie op Moessorgski's opera leidde tot een luidruchtige botsing tussen boe-roepers en bravo-schreeuwers.

Ruim veertien jaar later brengt de Nederlandse Opera Boris Godoenov in de regie van Willy Decker, met louter luide publieke bijval. Massale ovaties waren er gisteravond voor titelrolvertolker John Tomlinson. Zijn indrukwekkende en buitengewoon expressieve vocale en acterende prestaties kunnen met hun ouderwetse stijl en exuberante indringendheid glansrijk in de schaduw staan van de legendarische bas Fjodor Sjaljapin, die de opera beroemd maakte.

Decker, in Amsterdam geliefd na zeer succesvolle producties van Wozzeck, Werther, Elektra en Katja Kabanová, levert een ander soort voorstelling dan Kupfer. Maar toch herinneren veel elementen aan Kupfer, die afrekende met het visuele glitterspektakel.

Het decor is duister en kaal, een onbestemde gesloten ruimte met schuifwanden. De uitbeelding is bijna tijdloos, in Rusland is het dan ook altijd de `Tijd der troebelen'. En ook bij Decker houden telkens weer soldaten met geweren het volk in bedwang en zien we klassentegenstellingen, al zijn die gereduceerd. De Russisch-orthodoxe clerus is door Decker afgeschaft, zodat Boris gedwongen is zichzelf te kronen. Het volk is grauw gekleed, net als de soldaten. De machthebbers gaan gehuld in goud: Boris met gouden kroon en dito kroningsmantel, de bojaren met gouden hoofddeksels. Zij allen zitten op gouden stoelen, Boris op een troon die bestaat uit een sterk uitvergrote keukenstoel.

Kupfer toonde de onderlinge machtsstrijd van groepen en belangen. Decker presenteert Boris als een individu, de hoofdpersoon in een psychologische tragedie, zo legde hij vorige week uit in het Cultureel Supplement. De tragedie vindt zijn oorzaak in Boris' afslachten van een kind, de tsarevitsj. De herinnering aan die moord zal hem achtervolgen en te gronde richten. Deckers symboliek is eenvoudig en in de herhaling uiteindelijk mager: het portret van het dode kroonprinsje komt telkens weer terug, soms honderdvoudig vermenigvuldigd. Boris wordt steeds weer geconfronteerd met zijn zijn schuld, waarvoor hij moet boeten.

De inventievere symboliek bij Decker is die van groot en klein. Het verhaal van Boris Godoenov begint in de kinderkamer van de tsarevitsj – verwijzend naar Moessorgski's liedcyclus De kinderkamer. Daar ligt een in kinderogen buitengewoon grote stoel. Vervolgens blijkt die stoel ècht groot, tè groot, een troon, waarop Boris door het volk wordt neergezet, als een klein kind. Het aandoenlijke èn beklemmende beeld is de basis voor de sympathie voor Boris die Decker nastreeft: de criminele volwassene als plaatsbekleder van het onschuldige kind, dat hem later aanklaagt, in de gedaante van de joeridivy, de heilige idioot. Boris is een grote schuldige met een klein hartje.

Later, in de kinderkamer van Boris' kinderen, ligt heel Rusland op de grond, als sprookjesspeelgoed: gouden kerken en gouden huizen. Voor de nieuwe tsarevitsj (een uitstekend kinderlijk hoog zingende Brian Asawa) is het Russische aardrijkskundeles: dáár ligt Kazan, dáár Siberië. Dat goud belichte toneelbeeld herinnert aan de gele huisjes in Deckers Wozzeck.

De tragedie concentreert zich na een paar omtrekkende bewegingen in de eerste scènes geheel op Boris. Fabuleus is John Tomlinson in de dramatische opbouw van zijn rol en de emotionele, psychische verheviging van zijn vier monologen. Hij demonstreert een in opera zelden gezien voorbeeld van sterk inlevende `method acting'. Achteraf lijken de scènes waarin hij niet optreedt, bijna weg te vallen, hoe levendig ook het herbergtafereel was met de uitstekende Henk Smit in de rol van de monnik Varlaam, die hij ook al bij Kupfer had.

De altijd lange scène in de cel van Pimen (Frode Olsen) illustreert Decker met tableaux vivants als flashbacks. Het doorbreekt de monotonie even overbodig als die telkens overal weer opduikende kinderportretten. Zelfs de bikkelharde intrigant Sjoejski ( Chris Merritt) verbleekt door Boris' pathetiek tot een kille aparatsjik. De krachtige, onheilspellende begeleiding door het Radio Filharmonisch Orkest onder leiding van Edo de Waart onderstreept de expansieve ruigheid van John Tomlinson, de Boris, de Sjaljapin van nu.

Boris Godoenov van M. Moessorgski door de Nederlandse Opera en het Radio Filh. Orkest o.l.v. Edo de Waart. Regie: Willy Decker. Gezien: 1/6 Muziektheater Amsterdam. Herh.: t/m 28/6. Nog kaarten beschikbaar. Gratis videovoorstellingen: 22, 25/6 20 uur Oosterpark, Amsterdam.