De parel en de schelp

Het epische gedicht `Layla en Madjnoen' is een hoogtepunt in de klassieke Perzische poëzie en doet zijn invloed nog altijd gelden. De Iraanse balling Asghar Seyed-Gohrab maakte als eerste een uitputtende analyse van deze liefdesvertelling.

`DE POËZIE VAN `Layla en Madjnoen' emotioneert, het pakt je onmiddellijk. Toen ik een jaar of vijf was vertelde mijn moeder thuis in Teheran voor het middagdutje het verhaal van Madjnoen en de wilde dieren, hoe hij met zijn liefde hun agressie wegnam, hoe hij gek werd van liefde voor Layla. Ik moest er om huilen, zo mooi vond ik het. Later las ik een kinderversie van het epos dat mijn ouders hadden staan en raakte opnieuw ontroerd. De regen van beeldspraken, de verhaallijn die je beetgrijpt, de puntige formuleringen, de wijsheid die de versregels brengen – er gaat een enorme kracht van uit.'

In zijn werkkamer aan de Witte Singel in Leiden vertelt Asghar Seyed-Gohrab met passie over het liefdesepos `Layla en Madjnoen', waarop hij op 9 mei promoveerde. In 1188 werd het in opdracht van een lokale vorst geschreven door de Perzische dichter Nizami. Het is het verhaal van een onbereikbare geliefde, verweven met mystiek. ``Ik wilde nagaan hoe in de klassieke Perzische literatuur liefde wordt beoefend'', zegt Seyed-Gohrab. ``Zo'n studie was er nog niet. Die literatuur heeft grote invloed gehad, van Maleisië en India tot Turkije en Afrika, en nog altijd wordt veelvuldig uit deze traditie geput. Aan de hand van `Layla en Madjnoen' heb ik geanalyseerd hoe zo'n liefde in het dagelijks leven in de Middeleeuwen werkt, hoe het mystieke zich verhoudt tot het profane.''

`Layla en Madjnoen' bestaat uit 4559 dubbelverzen, met een vast metrum en verdeeld over 66 hoofdstukken. Nizami, die een teruggetrokken leven leidde in zijn geboortedorp Gandja (in het huidige Azerbeidzjan), schreef het gedicht in minder dan vier maanden. Uitgangspunt vormden bestaande Arabische gedichten en ermee samenhangende anekdotes die mondeling waren overgeleverd, waaraan hij eigen elementen toevoegde. Na een inleiding, met adviezen voor de koning en zijn zoon en enige hints hoe het verhaal geïnterpreteerd moet worden, ontvouwt zich een romance.

Verliefd

Die gaat als volgt. De vader van Madjnoen, een stamhoofd, weet door op grote schaal aalmoezen uit te delen God te bewegen hem alsnog een zoon te schenken. Madjnoen (letterlijk: bezeten van een geest) is een intelligente jongen. Op school raakt hij verliefd op Layla, zo sterk dat studeren niet meer lukt. Vol van liefde componeert hij erotische gedichten en draagt ze in het openbaar voor. Dat hoort niet: zo bezoedel je de naam van de geliefde. Niettemin krijgt Madjnoens familie zijn vader zover dat deze een huwelijksaanzoek doet bij de vader van Layla. Die weigert: `Kijk wat hij gedaan heeft, de naam van mijn dochter is op ieders lippen. Breng hem naar Mekka, met Gods wil geneest hij.'

In de heilige moskee in Mekka komt er mystiek in het spel. Madjnoen ziet de deurknoppen van de Ka'ba aan voor haarlokken van Layla en identificeert de zwarte kubus met zijn geliefde. `Vermeerder mijn liefde voor Layla', roept hij tot God, `neem alle dagen die ik nog te leven heb van me af en schenk ze haar.' Zijn vader ziet het als een soort krankzinnigheid. Na terugkeer begeeft Madjnoen zich heimelijk naar de wijk waar Layla woont en kust haar deur. Zo vreemd gedraagt hij zich dat kinderen hem met stenen bekogelen. Uiteindelijk zondert hij zich af in de woestijn. Hij leeft naakt in een grot, verkeert in gezelschap van wilde dieren en doet afstand van zijn aardse goederen. Tegelijk wordt hij beschreven als een wijs man. Hij droomt en de volgende dag krijgt hij een brief van Layla: ze wil hem zien.

Layla is intussen tegen haar zin uitgehuwelijkt aan een rijke Arabier. Maar in de huwelijksnacht deelt ze een klap uit zodra hij zich te dicht in haar buurt waagt: `ik ben verliefd op Madjnoen'. Er volgt een serie ontmoetingen tussen de twee geliefden, zonder dat het tot fysiek contact komt: Layla is getrouwd. Wanneer de rijke Arabier sterft kunnen Layla en Madjnoen elkaar eindelijk aanraken. Maar tijdens die ontmoeting rent Madjnoen opeens weg, de woestijn in. Layla sterft, waarbij ze haar moeder vraagt haar als bruid te kleden. Zodra het nieuws van haar dood hem bereikt, werpt Madjnoen zich op haar graf, waarbij de dieren een kring om hem vormen. Ook hij sterft. Het verhaal eindigt met de beschrijving van een droom van Zayd, die eerder in het verhaal optrad als postillon d'amour van het tweetal. In het paleis van een wijze oude man – het paradijs – ziet ze twee prachtige mensen. `De ene is koning en luisterde op aarde naar de naam Madjnoen, de andere is koningin en heette Layla.'

Inspiratiebron

`Layla en Madjnoen' is nog altijd springlevend, er zijn honderden aforismen aan ontleend. Het epos geniet in de islamitische wereld grotere bekendheid dan Shakespeare's `Romeo en Julia' in het Westen. Talloze malen is het geïmiteerd, scènes staan afgebeeld op miniaturen, tapijten en porselein, het verhaal was een inspiratiebron voor kalligrafen en mystici benutten het als een allegorie die hun verlangen naar de goddelijke liefde kon verbeelden. Seyed-Gohrab: ``Nog steeds verschijnen er nieuwe edities. Klassieke dichters, onder wie ook Rumi en Hafez, worden in Iran veel vaker geciteerd dan moderne. Je kunt het hedendaagse Iran, inclusief het politieke discours, niet goed begrijpen zonder een grondige kennis van deze traditie. `Klassiek' betekent in Iran iets totaal anders dan in Nederland. In Iran heeft de kruidenier of de groenteboer parate kennis van klassieke poëzie, ze antwoorden je uit het blote hoofd met een toepasselijk vers. En een showprogramma op de tv begint met een ghazel, een liefdesgedicht.''

Het meesterlijke van Nizami, zo meent Seyed-Gohrab, is dat hij circulerende Arabische anekdotes bijeen heeft gebracht en heeft uitgebreid met zijn eigen fantasie. ``De briefwisselingen, het praten met de sterren, de beschrijvingen van tuinen: het zijn toevoegingen die het verhaal context geven. Nizami geeft betekenis aan de wilde dieren waarmee Madjnoen zich omringt. En hij heeft het verhaal zo gecomponeerd dat meerdere interpretaties mogelijk zijn, al leunt hij sterk op mystieke ideeën. De paradox van het verhaal is dat Madjnoen op het beslissende moment niet meer terug kan naar de aardse liefde: terwijl hij poëzie declameert, vlucht hij bij Layla weg. Mystiek is goed, lijkt Nizami te willen zeggen, maar als je zover gaat als Madjnoen raakt de weg terug naar het profane afgesloten.''

Seyed-Gohrab neemt in zijn studie stelling tegen interpretaties van anderen. ``Layla zou passief zijn. Maar wie Nizami's tekst goed leest ziet dat juist zij het initiatief tot de ontmoetingen met Madjnoen neemt. Ze zit gevangen in een positie waarin ze de belangen van én Madjnoen én haar man moet behartigen. Je kunt Layla profaan zien, en dan is het jammer dat Madjnoen haar ontglipt. Maar in de context van de mystica Layla die het spirituele nastreeft heb je een heel ander verhaal. Als je het profane te zeer benadrukt zijn bepaalde passages niet meer te interpreteren. Veel beeldspraak is gebaseerd op mystieke liefde. Zoals het verlangen van de minnaar onthoofd te worden. In de mystieke poëzie betekent dat het opzij zetten van je verstand, het voorrang geven aan je hart. `Je hoofd moet je aan je voeten zetten', zingt Madjnoen. Zet dat in een profane context, en hij is een gek en een mislukkeling. Madjnoen is het slachtoffer van het excessieve verlangen van zijn vader naar een mannelijke nakomeling. Ook Layla is slachtoffer, en wel van de patriarchische maatschappij. Haar vader dicteert wat er gebeurt, zij is slechts kapitaal.''

In zijn proefschrift heeft Seyed-Gohrab ter illustratie van zijn betoog een aantal passages van het gedicht in het Engels vertaald. ``Ik heb geprobeerd de betekenis weer te geven, de essentie eruit te halen. Nizami's liefdesvertelling literair vertalen lijkt me ondoenlijk. In het Perzisch is het volhouden van de melodie en het metrum geen probleem, maar in een andere taal wordt dat al snel saai – vraag me niet waarom. The style makes the man. Nizami is vernieuwend, apart. Dat mengen van het mystieke en het profane, om de paar regels een andere beeldspraak: zijn stijl was veel complexer dan de Perzen gewend waren. Hij etaleert ook veel kennis, zoals de implicaties van de posities van de hemellichamen. Dat gebruikt hij dan weer bij het beschrijven van een donkere nacht om de emoties van een karakter uit te beelden. Aan de andere kant hanteert Nizami veel spreektaal, hij weet goed te doseren. En hij laat in het karakter van Madjnoen zoveel open plekken dat het weinig moeite kost je met hem te identificeren.''

Cipres

Gevraagd naar beeldspraken die hem bijzonder hebben geraakt, noemt Seyed-Gohrab de cipres. ``Als Madjnoens vader aan het begin van het verhaal geen zoon kan krijgen, gebruikt Nizami de metafoor van de cipres: die laat zich ook niet vermenigvuldigen. En als het over de rol van de vrouw gaat laat hij Layla licht geven, alleen niemand die het ziet. En als Madjnoen is gestorven blijft hij geruime tijd op het graf van Layla liggen zonder dat iemand iets in de gaten heeft – een verwijzing naar koning Salomo. Uiteindelijk breekt het lichaam, dat nadrukkelijk niet stinkt, door trillingen van de aarde in een groot aantal fragmenten. Waarna de dichter spreekt van een versplinterde schelp waaruit de parel is gevlogen.''

Seyed-Gohrab hoopt met zijn analyse van `Layla en Madjnoen' bij te dragen aan onze kennis over liefde in een vreemde cultuur. ``Van een vriend die tolkt hoorde ik het verhaal van een Iraanse jongen in Nederland die steeds naar de school van een meisje ging om haar uit de verte te bewonderen. Een soort mystiek idee. Maar dat meisje dacht dat die jongen gewoon aan het stalken was en na een paar keer werd ze zo bang dat ze de politie inschakelde. Die hield de jongen aan, waarop deze zei: `Ik bewonder haar schoonheid, maar durf niet op haar toe te stappen.' Na lezing van mijn boek kun je je zo'n geval beter voorstellen. Liefde is voor sommige Iraniërs iets heel anders dan voor menige Nederlander.''

In `Layla en Madjnoen' gaat het om de positie van de mens op aarde, zegt Seyed-Gohrab, en over het lot dat hem stuurt. ``Als balling in Nederland identificeer je je daarmee. Mijn vader had in Teheran een groothandel in noten. In 1980, na de val van de sjah, moest hij omwille van zijn politieke overtuiging vluchten. Drie jaar later volgden mijn broertje en mijn moeder, ikzelf ben eind '86 naar Nederland gekomen. In Teheran had ik de zaak overgenomen en de middelbare school in de avonduren voltooid. Na een decreet van Khomeiny dat mensen van 16, 17 en 18 jaar naar het front met Irak moesten, had ik weinig trek om te blijven. Een aantal jaren heb ik met éen been in Iran geleefd en met één been in Nederland. Maar op een gegeven moment duurde het te lang, dan moet je keuzes maken. Ik heb aan de Vrije Universiteit Engels gestudeerd en Perzisch in Leiden. Terug naar Iran ben ik nooit geweest: te riskant. Net als Madjnoen en Layla kamp je met je lot, je kunt niks doen. Maar het verlangen blijft.''

Asghar A. Seyed-Gohrab. `A Narration of Love: An Analysis of the Twelfth Century Persian Poet Nizami's Layli and Majnun. Een handelseditie is in voorbereiding.