Boerenverstand

Het kleine, ouderwetse boerenbedrijf heeft de toekomst, als het aan de plannenmakers ligt. Dat vraagt om een verandering in het denken van boeren, maar ook van ambtenaren. Die werken natuurboeren namelijk al jaren tegen. `Eigenlijk zou iedere ambtenaar een koe moeten adopteren.'

Theo Spruit knielt langs de oever van zijn land, gebruikt zijn handen als waterkom en drinkt deze leeg. ,,Heerlijk jôh!'', glundert de 49-jarige natuurboer uit de Zegvelderbroek. Een ander stuk sloot doet al decennia lang dienst als zwembad voor het hele gezin. En voor een school goudvissen. De sloot is hier geen open mestriool.

Naast veehouder noemt Theo Spruit zichzelf voor de grap ook wel eens wormenteler. De wormen vervullen namelijk een cruciale functie binnen het kringloopsysteem van het familiebedrijf, gelegen op de grens tussen Zuid-Holland en Utrecht. Dit `kleinvee' produceert stikstof, normaal gesproken de taak van kunstmest, en brengt de ruige stromest naar de graswortels. Op het hoge, donkergroene gras houden kieviten, tureluurs en wulpen de koeien gezelschap. De slootkanten lijken met zwanebloemen, koekoeksbloemen en gele lissen op een hortus botanicus.

Spruits terugkeer naar, of beter, eeuwige trouw aan de natuur levert hem goede rapportcijfers op van de Gezondheidsdienst voor Dieren, applaus van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, bezoeken van Leidse biologen, een trotse burgemeester en bonussen van de lokale Vereniging Agrarisch Natuurbeheer. Officieel is hij geen biologische boer, vooral omdat hij allergisch is voor regels, ook die van ecobureaucraten. Luisteren doet hij naar zijn vrouw en zes kinderen, naar de zwaluwen die het weer voorspellen en naar de ervaringen uit het verleden, uit de tijd van zijn vader en grootvader die ook hebben geboerd op dit stukje veenweidegebied in het Groene Hart.

Spruit boert op een manier die de groene Duitse landbouwminister Renate Künast voor ogen staat, en die ook in het straatje lijkt te passen van de commissie-Wijffels. Deze denktank, waar overigens geen enkele boer in zat, adviseerde deze week minister Brinkhorst van Landbouw meer nadruk te leggen op kwaliteit in plaats van kwantiteit: van de boer als bio-industrieel met vierpotige productiemachines, naar de biologische boer, met dieren. Eerherstel van zowel het dier als de ambachtelijke boer.

Maar Spruit krijgt niet alleen maar lof. Verbalisanten van de Algemene Inspectiedienst komen regelmatig langs, de milieupolitie ook. Spruit weigert zijn grond te ,,vergiftigen'' en nesten van weidevogels te ,,vernielen'' door de dierlijke mest met zware machines in de grond te brengen, zoals wettelijk verplicht is. In plaats daarvan spuit Spruit gerijpte mest vanuit een lichte giertank op het land, zoals zijn voorvaderen dat met riek en mestschop deden. Deze werkwijze leverde hem een voorwaardelijke boete op van de economische rechter.

Van de naar schatting zevenhonderd boeren die de dierlijke mest bovengronds uitrijden, hebben er al zeker honderddertig voor de rechter moeten verschijnen. Een enkeling belandde door deze burgerlijke ongehoorzaamheid zelfs in de cel. Om de ammoniak in de mest te neutraliseren, gebruiken deze boeren een koolstofmineraal. Volgens critici is het een placebo, maar volgens de gebruikers werkt het echt. Om aan deze discussie een einde te maken lieten de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (VBBM) en het ministerie van Landbouw een wetenschappelijk onderzoek uitvoeren. Het Instituut voor Milieu- en Agritechniek ontdekte geen verschil tussen gewone mest en geneutraliseerde mest. Geen wonder, zeggen de natuurboeren, het bewuste mineraal zat niet alleen in de testgroep maar ook in de controlegroep. Zij proberen die onderzoek via een bodemprocedure naar de prullenbak te verwijzen.

Het juridische steekspel rond de mest illustreert de kloof tussen de boer die afgaat op zijn ervaringen en het ministerie dat zich wil baseren op wetenschappelijke modellen. Vóór de Tweede Wereldoorlog was de boer ,,de meest met de natuur vergroeide, de in zijn arbeid meest van God afhankelijke, en daardoor de meest kinderlijke en wijze mens uit alle maatschappelijke groepen'', aldus het Groot-Nederlands boerenboek, een novellenbundel die in de jaren dertig mede tot stand kwam dankzij P.J. Meertens. In die tijd had de boer de vrijheid te handelen naar gemoedsindrukken die slechts met het hart begrepen konden worden.

Met de wederopbouw kwam de landbouwpolitiek in het teken te staan van een technologisch vooruitgangsdenken. Met het karakter van de bodem — grond was grond, of het nu veen, zand of klei was — en met de kennis van de boeren werd geen rekening meer gehouden. In De virtuele boer schrijft de Wageningse landbouwsocioloog Jan Douwe van der Ploeg dat beleidsmakers zich afvroegen ,,of niet de slimsten en de meest ondernemenden de landbouw zouden verlaten, zodat slechts een reservoir van minderbegaafden zou resulteren''. Binnen de droom van de maakbaarheid was hadden het ministerie en haar onderzoeksinstituten de wijsheid in pacht. Volgens Van der Ploeg zijn de ,,experts'' van de overheid met de jaren ,,ziende blind en horend doof'' geworden. Het modernisatieproject dat Nederland het broodnodige voedsel leverde, gaat aan zijn succes ten onder.

Dinky toy

De introductie van de mestinjecteur is symbolisch voor het technologische denken. Dit zware apparaat moet het probleem oplossen van de mestoverschot, en de daarmee gepaard gaande uitstoot van ammoniak. Als de dierlijke mest met ammoniak en al eenmaal in de grond zit, is het goed, was de gedachte. Wanneer een boer beweert dat het injecteren averechts werkt, dan ligt dat volgens de `experts' aan zijn werkwijze, niet aan de oplossing. Deze `oplossing' is overigens in Duitsland en Denemarken niet toegestaan is omdat zij het grasland beschadigt.

Negatieve bijverschijnselen van mestinjectie waren bij het ministerie bij de invoering in 1990 overigens al bekend: ze waren al tijdens een drie jaar durend praktijkonderzoek gebleken. Enkele boeren die aan die proef meededen, kregen een schadevergoeding voor alle scheuren en bruine strepen op de weilanden. Daarnaast vroeg het welig tierende onkruid om bestrijdingsmiddelen, kregen dieren onverklaarbare ziekten, gingen vele wormen dood, sloten de injectiesleuven moeilijk en was de ammoniakbeperking bij ideaal weer hooguit 25 procent in plaats van het beoogde 80 procent.

Terwijl Spruit en zijn recalcitrante collega's elk moment weer een dagvaarding kunnen verwachten, mogen de milieucoöperaties Vereniging Eastermars Lânsdouwe (VEL) en Vereniging Agrarisch Natuurbeheer en Landschap Achterkarspelen (VANLA) in de Noordelijke Friese Wouden de dierlijke mest op ouderwetse wijze, bovengronds dus, wél uitrijden. Anders dan Spruit, die als lonely ranger zijn strijd tegen het ministerie voert, hebben zij keurig ontheffing gevraagd en gekregen voor een proefproject voor twee jaar. Aan de eerste fase van het project heeft het ministerie ongeveer zeven ton bijgedragen. In het gebied tussen Drachten en de Waddenzee onderhouden zo'n 160 boeren niet alleen hun melkkoeien, maar ook de boomwallen en elzensingels die de kleine kavels omzomen. Op deze agrarische broedplaatsen zijn alle dieren gelijk: vossen, reeën, vleermuizen, bunzingen en hermelijnen. Niet de productie per koe staat centraal, maar de gehele kringloop op het bedrijf, dat stilletjes aan de contouren krijgt van een kinderboerderij.

Volgens projectcoördinator Jaap Dijkstra werken deze boeren net als vroeger ,,op gevoel'', maar daarnaast proberen ze erachter te komen waardoor dat gevoel wordt ingegeven. Tijdens huiskamerbijeenkomsten in Friesland wisselen boeren en onderzoekers ervaringen uit. Enkele illustratieve dialogen staan in het recent verschenen boekje Goede mest stinkt niet.

Onderzoeker: ,,Wanneer strooi jij?''

Melkveehouder: ,,Als de grond en de natuur er klaar voor is. Ik strooi op gevoel. Het moet mooi weer zijn en de natuur moet er klaar voor zijn. Ik zie aan de natuur, hoe het grasland erbij ligt.''

Onderzoeker: ,,Hmmm. Kun je wat preciezer zeggen, wanneer dat is?''

Melkveehouder: ,,Wanneer de grond begint te leven, dan strooi ik. Ik voel het... Ik kijk naar het gras. En ik kijk bijvoorbeeld naar wanneer de mollen beginnen en als er hoopjes van de wormen komen.''

De milieuboeren ontmoetten aanvankelijk scepsis van de gewone boeren die niet geloofden dat werken aan het milieu rendabel kan zijn. Geitewollen-sokkengeur of niet, de toenmalige landbouwminister Jozias van Aartsen stond sympathiek tegenover VEL en VANLA, maar dat gold zeker niet voor al zijn ambtenaren. `Boerenprofessor' Van der Ploeg schrijft daarover: ,,Het experiment met milieucoöperaties wordt bij de directie `Milieu, Kwaliteit, Gezondheid' (MKG) van meet af aan als een bedreiging en tot op zekere hoogte ook als een aanslag ervaren. Het is een idee dat van buiten komt. Het risico dat het zal mislukken is, zeker in de ogen van de MKG-staf, hoog.''

Twee jaar later bleek dit koudwatervrees van de ambtenaren te zijn geweest, tenminste wat dit lokale Friese experiment betreft. Hier is de voorwaarde voor financiële en bestuurlijke steun — minder uitstoot van ammoniak — ruimschoots gehaald, zo staat in een tussenrapportage. Maar landelijk gezien neemt de ammoniakuitstoot alleen maar toe, zo maakte het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) medio 1999 bekend. Projectcoördinator Dijkstra hoopt dat het Friese succes het ministerie tot verlenging van de medewerking zal bewegen. ,,Er zijn positieve gesprekken geweest, maar er moeten zich waarschijnlijk nog paar commissies over buigen.''

Kevers en aaltjes

Op een symposium twee jaar geleden aan de universiteit in Wageningen, De boer als ervaringswetenschapper, wees hoogleraar agrarische kennissystemen Niels Röling erop, dat boeren jarenlang slechts uitvoerders zijn geweest van ideeën van wetenschappers. Wetenschappers moeten volgens hem leren dat ze niet langer de waarheid in pacht hebben. De boer is namelijk een expert: ,,We zitten te springen om alternatieven voor de wetenschappelijk gepropageerde bulkproductie met het bekende complex van dierenleed, eenzijdige landschappen en kwetsbaarheid voor ziekten en plagen die daarmee samenhangen.''

Zo'n alternatief is volgens de Wageningse dierwetenschapper Jaap van Bruchem een nieuwe, ,,platte'' landbouwcultuur met zelforganisatie, ruimte voor onzekerheden, meer aandacht voor gamma- in plaats van beta-kennis, luisteren naar de natuur en geen paardenmiddelen gebruiken. Een holistische werkwijze leidt naar zijn stellige overtuiging tot minder stress bij mens en dier, minder vervuiling en een beter bedrijfsresultaat. Als lichtend voorbeeld wijst Van Bruchem niet alleen naar het bedrijf van Spruit, maar ook naar de Ir. A.P. Minderhoudhoeve, een academische proefboerderij in Swifterbant, Flevoland, waar hij nauw bij betrokken is. De negentig koeien op dit gemengde bedrijf krijgen een eiwitarm rantsoen vermengd met stro, waardoor de mineralenhuishouding beter in evenwicht komt. Daar draagt ook een rijk bodemleven — wormen, kevers, aaltjes, mijten, bacteriën en schimmels — toe bij.

De twee wetenschappers kregen steun van SER-voorzitter Herman Wijffels die het huidige academische jaar opende met de lezing Veranderende maatschappij, veranderende universiteit. Hij merkte op dat het voor onderzoekers (en beleidsmakers) even moeilijk als noodzakelijk is om afstand te doen van het succes in de naoorlogse periode waarin ,,ontwikkeling door beheersing'' centraal stond. Ook hij pleitte voor een betere kijk op de samenhang der dingen in plaats van een verregaande specialisatie.

Voorschriften negeren

Voordat het zover is, zullen tal van boeren de ministeriële voorschriften negeren. Zij krijgen daarbij steun van lagere overheden, van natuur- en milieuorganisaties en sinds kort ook van twee gerechtshoven. Net als eerder het Arnhemse hof oordeelde begin dit jaar het Amsterdamse hof dat de vervolgde boeren van de VBBM inderdaad niet volgens de letter, maar wel volgens de geest van de wet handelen.

De beleidsmakers zouden wat vaker op het platteland moeten rondkijken, zegt Van Bruchem, de Wageningse dierwetenschapper. ,,Eigenlijk zou iedere ambtenaar van het ministerie stage moeten lopen op een boerderij of minimaal een koe moeten adopteren. Dan kunnen ze zien dat een strakke wet- en regelgeving geen vat heeft op complexe, levende systemen. Een melkveebedrijf is méér dan een optelsom van koeien, voer en mest.''

Complexe systemen of niet, het Amsterdamse openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat regels nu eenmaal regels zijn. Uit onvrede met het generale pardon van het gerechtshof heeft de advocaat-generaal cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Ambtenaren kunnen alleen worden overtuigd met onderzoek, zegt beleidsmedewerker Mark de Bode van de directie Mineralen en Ammoniak. ,,We kunnen niets met wijsheden en subjectieve ervaringen van boeren, ook niet met de adviezen van Wijffels in het achterhoofd.''

De boeren willen dat onderzoek graag laten doen, maar hebben er geen geld voor. Wageningse onderzoeken hebben uitgewezen dat het ammoniakgehalte in de lucht tijdens de mestinjectie inderdaad zeer laag is, maar volgens de kritische boeren is dat slechts een momentopname. Zij wijzen erop dat de in de grond geïnjecteerde ammoniak via het gras altijd weer in de koe belandt. Daarom pleiten ze ervoor om ook ná het uitrijden regelmatig te meten, bijvoorbeeld in de stallen waar de dieren de helft van het jaar etend en poepend vertoeven. Mineralendeskundige De Bode erkent dat dit nog te weinig gebeurt, maar er ligt een speciaal stalmeetprogramma klaar.

Het verbaast Theo Spruit dat kosten noch moeite worden gespaard om hem en zijn geestverwanten veroordeeld te krijgen. Vanaf een drinkplek die de kinderen hebben aangelegd drinkt zijn zestien jaar oude koe Roza in navolging van haar baas uit de sloot. Spruit neemt een foto, voor het rijk geïllustreerd boekje dat hij aan het maken is over zijn bedrijfsvoering. Om te laten zien hoe het ook kan. O ja, en eventueel als ontlastend bewijsmateriaal in de rechtszaal.