ARCHIEF 2

In een reactie op Cor van der Heijdens noodkreet over Pivot (W&O, 5 mei) sneert Jan van Tol (W&O 19 mei) dat historici zich nog steeds geen zorgen maken om het behoud van e-mails en andere elektronische documenten. Misschien kan het volgende hem uit de droom helpen.

In mijn advies als historicus-materiedeskundige over het `Basisselectiedocument Wetenschappelijk Onderwijs' uitte ik mede namens de Nederlandse Werkgroep Universiteitsgeschiedenis op 13 januari 1997 mijn bezorgdheid over het ontbreken van regels voor het bewaren van e-mail en andere min of meer vluchtige communicatievormen. Wij adviseerden om `systematisch zulke gedigitaliseerde bestanden te bewaren' of regels voor behoud op te stellen. De Werkgroep Selectielijst antwoordde op 7 mei 1997: `Deze problematiek is op rijksniveau onlangs aangepakt en staat op de politieke agenda van Nuis en Kohnstamm (Programmabureau Project Digitale Duurzaamheid)' en nam ons advies verder `voor kennisgeving aan'.

Niet tevreden met wat nauwelijks meer dan een dooddoener leek, hield de Werkgroep Universiteitsgeschiedenis op 26 juni 1998 aan de Vrije Universiteit een Nederlands-Vlaamse studiedag over archiefvorming en archiefselectie in het wetenschappelijk onderwijs, waaraan ook vertegenwoordigers van de Werkgroep Selectielijst deelnamen. Zowel Pivot als het probleem van het bewaren van digitale archiefvormen is daar uitvoerig aan de orde gesteld. In een advies op 14 juni 1999 pleitten wij ervoor om ten minste steekproefsgewijs een selectie van alle typen archivalia te behouden, in het belang van het historisch inzicht. De Werkgroep Selectielijst verwees opnieuw naar de richtlijnen en maatregelen die door de overheid thans zouden worden ontwikkeld. Daar lijkt het bij te zijn gebleven.

Geen serieus historicus onderschat het probleem van de exponentieel groeiende papierberg en ik ben nog niemand tegengekomen die alles maar wil bewaren. Maar het is voor alle insiders duidelijk dat de huidige selectiepraktijk, hoe zorgvuldig en verdienstelijk ook, in eerste instantie op documentatie van het overheidsbeleid gericht staat, pas in tweede instantie op de belangen van de burgers en de actoren, en heel veel instanties verder op een historisch verantwoord inzicht in de ontwikkeling van onze samenleving en haar instituties. Dat is een rechtstreeks gevolg van een welbewuste politieke keuze van de overheid, die kennis van haar eigen belangen hoger acht dan die van de samenleving. Politiek narcisme ten top. Historici kunnen, zoveel is mij in de adviespraktijk duidelijk geworden, slechts marginaal correcties aanbrengen op evidente miskleunen bij het selectiebeleid. Hun deskundigheid wordt immers pas aan het slot van het besluitvormingsproces ingehuurd, en dan nog is het vechten om elke komma. Het verwijt dat ze geen oog zouden hebben voor de noden van de archiefselectie of dat ze het probleem van de nieuwe media niet zouden zien, is echter klinkklare nonsens.