Zo hoog waren de dijken niet

Pas in het perspectief van de Tweede Wereldoorlog is de Eerste in het neutrale Nederland een belangrijk thema geworden, vooral aan de hand van de `onschuldthese'. Maar hoe onschuldig bleef men achter de dijken?

De Eerste Wereldoorlog en zijn consequenties voor Nederland zijn weliswaar voor de tijdgenoten van grote betekenis geweest, maar de geschiedschrijving ervan is na de overzichtswerken en egodocumenten in de jaren twintig eigenlijk blijven rusten. Het is dan ook typerend dat het thema eerst aan betekenis heeft gewonnen door het perspectief van de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting. In 1997, bij de opening van het nieuwe gebouw van wat toen nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heette, vergeleek de Amsterdamse hoogleraar Maarten Brands de nawerking van de Tweede met die van de Eerste in Nederland en concludeerde hij dat de verhevigde effecten van de Duitse bezetting omgekeerd evenredig waren aan de onschuld van het neutrale Nederland in de jaren tussen 1914 en 1918.

Nederland was in 1914 weliswaar de dans ontsprongen – de dodendans boven de loopgraven en onder onophoudelijke beschietingen – en dat was op zichzelf daarom ook wel als een historisch geluk te beschouwen, maar in de volgehouden neutraliteit was het evenzeer verschoond gebleven van een maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling die in het Europa van 1918 de toon aangaf. Nederland had in dat perspectief zijn `onschuld' niet verloren. Daardoor werd het, toen de Duitse invasie in mei 1940 over ons land kwam, des te heviger opgeschrikt; een confrontatie met het kwaad van de eeuw die een verre echo produceerde tot in onze dagen. Geert Mak zei het op zijn eigen wijze ook in het boek De eeuw van mijn vader, waarin de geschiedenis van Nederland zichtbaar wordt gemaakt op het niveau van een familie.

Onschuldthese

Toch valt er op de `onschuldthese' af te dingen, ook al wordt het een opponent niet makkelijk gemaakt omdat het historisch onderzoek van de Eerste Wereldoorlog in verschillende opzichten nog in de kinderschoenen staat. Dat lijkt zelfs indirect een bewijs van de onschuldthese. We kennen bijvoorbeeld wel de geschiedenis van de vroege mobilisatie en van de ontoereikende uitrusting van al die duizenden dienstplichtigen die tussen 1914 en 1918 onder de wapenen werden geroepen. Over de maatschappelijke gevolgen van dit gedwongen samenzijn van zoveel rangen en standen zijn we daarentegen slecht geïnformeerd. De Eerste Wereldoorlog heeft in Nederland weliswaar geen `lost generation' opgeleverd van gesneuvelden en overlevenden van de loopgraven, maar ze heeft wel duizenden gemobiliseerd uit landstreken en volksgroepen die elkaar niet kenden. Dat moet de verbreiding hebben bevorderd van uiteenlopende ontwikkelingen als de gereglementeerde voetbalsport of de noodzaak om zich te verenigen volgens geloof of politieke overtuiging (verzuiling).

De Eerste Wereldoorlog is niet alleen een afschuwelijke confrontatie op de slagvelden, maar evenzeer de factor van ontbranding van maatschappelijke tegenstellingen en van revoluties achter het front. Ook deze zijn aan deze zijde van de grens bij Zevenaar van belang geweest. Voor de tijdgenoten werden de spanningen ten gevolge van een ontoereikende voedselvoorziening in 1917 en de rebellie in de strijdkrachten ten gevolge van een maatschappelijk onbehagen in 1918 tekenen van het einde van een bepaalde orde. De oproep tot revolutie van de socialist Troelstra in november 1918 was al mislukt voor zij goed en wel werd uitgeroepen. Maar de `witte reactie' – de mobilisatie van protestantse en katholieke jongeren tegen het socialisme – week in Nederland niet veel af van wat er elders in Duitsland en Centraal-Europa gebeurde. Het voornaamste verschil is dat van de proporties en niet allereerst dat van de politieke inhoud.

Een derde tegenwerping tegen de `onschuldthese' kan in Nederlands-Indië worden gevonden. Werd de Eerste Wereldoorlog aan de kant van de westerse Entente uitgevochten in naam van het door de Amerikaanse president Wilson geproclameerde zelfbeschikkingsrecht, dan werd dat niet alleen in Midden-Europa gehoord maar ook in het Midden-Oosten en in Indonesië. De opkomst van een seculier (niet godsdienstig) nationalisme onder Indonesische intellectuelen is daarvan een echo. Het zou in het decennium na 1918 van zich doen spreken.

Ook het koloniale regime leek in beweging te komen. Het heeft één keer, in 1918, de tekenen van de tijd willen verstaan door het doen van beloften over grotere autonomie in een parlementair instituut, de Volksraad. De gouverneur-generaal, Van Limburg Stirum, werd vervolgens door Den Haag teruggefloten. In een beschouwing over de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog past dit Indische hoofdstuk dus wel degelijk.

Een hoofdstuk over de oostelijke en westelijke koloniën zoekt men tevergeefs in het boek over Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog van Paul Moeyes. Het is blijkbaar al vanzelfsprekend geworden dat deze koloniale dimensie niet meer in een Nederlands geschiedwerk wordt gezien. Moeyes studeerde Engelse letterkunde en schreef een dissertatie over Siegfried Sassoon, de Engelse dichter in de loopgraven. Hij vatte zijn geschiedschrijving samen in de titel Buiten schot. Het is dan ook in de eerste plaats een standaardverhaal over Nederland, dat vooral dankzij de keuze van zijn grote oorlogvoerende buurstaten Duitsland en Groot-Brittannië van 1914 tot 1918 zijn neutraliteit heeft kunnen bewaren; niet zijn `onschuld'. Want ook hij mag dan refereren aan de `onschuldthese' van Maarten Brands en Geert Mak, hij antwoordt wel heel kort als hij de retorische vraag stelt hoe hoog de dijken toen wel niet gebouwd moesten zijn om een land dat tussen de oorlogvoerende partijen lag, zo van de buitenwereld te kunnen afschermen.

Krijgsroem

Wat hij te berde brengt, is grotendeels bekend en wordt opnieuw verteld in een leesbare stijl. De oorspronkelijke bijdrage van Moeyes is vooral te vinden in de wijze waarop hij de toenmalige literatuur en lectuur verwerkt. Uit wat boeken, memoires en artikelen ontstaat het beeld van het gemobiliseerde leger dat vanwege de neutraliteit de vijand slechts kan afwachten en dat in plaats van krijgsroem verveling oogst. Het is treffend geschetst. Tijdens deze `roemloze jaren' – de titel van een hoofdstuk – begint de legerleiding zich, wijs geworden door de schade en schande van een serie rellen in de kazernes, ook te realiseren dat men niet ongestraft tweehonderdduizend man in de Hollandse forten en de Brabantse hei eindeloos kan laten dooroefenen en uitzien naar een vijand die niet komt opdagen.

Zo kwamen in 1915 de eerste initiatieven van een maatschappelijke aandacht voor de strijdkrachten tot stand: hogere ontspanning in het `betere' marslied – hoewel tijdens een concert van het Concertgebouworkest onder Mengelberg de helft van de militairen in slaap viel en de andere helft naar de tuin van het Concertgebouw sloop –, maar ook cabaret (J.H. Speenhoff) en revues of wedstrijden van de toen nog jonge sporten en uiteraard geestelijke verzorging. De veldpredikers en aalmoezeniers deden hun intrede in het Nederlandse leger, dat in zijn rangen ook socialisten telde wier invloed moest worden ingedamd. Veel heeft het niet geholpen. De rellen in de Harskamp in het najaar van 1918 met een heuse soldatenraad werden algemeen gezien als een teken aan de wand.

Smokkelhandel

Zijn voorkeur voor authentieke teksten en portretten komt de auteur ook van pas wanneer hij de sociaal-economische kant van de Eerste Wereldoorlog in Nederland beschrijft. Die kende twee uitersten: een levendige smokkelhandel en vanaf 1917 een steeds problematischer voedselvoorziening. De oorlog werd immers ook op zee gevoerd en leidde tot een stagnatie van en steeds grotere controle op de handel. Het bracht staatsinterventies met zich mee van een tot dan toe ongekende schaal. Aan de smokkel heeft zich een opmerkelijk aantal Nederlanders verrijkt. Ze worden in het boek geportretteerd als OW'ers, makers van oorlogswinst, met alle karaktereigenschappen van nieuwe rijken. Aan de rantsoenering van voedsel en brandstoffen werd door sommigen ook veel verdiend. In de grote bevolkingscentra in het stedelijke Holland daarentegen werd het voedsel ongelijk verdeeld en braken er oproeren uit.

Het verhaal van Nederland in de Eerste Wereldoorlog kent een enerverend begin – Nederland ontsnapt in augustus 1914 aan het militaire strijd – en een enerverend slot. De wapenstilstand van 11 november 1918 kwam op een moment van grote sociale spanningen en is het sein geworden van een (mislukte) poging tot revolutie. Moeyes vertelt zijn verhaal, maar toont zich hier ook van een zwakke kant. De grotere lijnen van de politieke geschiedenis van Nederland blijven ongezien. Moeyes heeft een aantal belangrijke en recente publicaties overgeslagen zoals de dissertatie van Bas van Dongen over het socialisme in de Eerste Wereldoorlog, die van Elsbeth Etty over Henriette Roland Holst en die van Remco van Diepen over Nederland en de Volkenbond. Daardoor mist de auteur een aantal dramatische momenten in de politieke discussies in het socialisme en in de revolutie van november 1918: bijvoorbeeld Henriette Roland Holst met demonstranten in het aangezicht van soldaten met bajonet op het geweer voor de Oranje Nassau-kazerne in Amsterdam.

De betekenis van de pacificatie van 1917, waarin twee jarenlange conflicten in de Nederlandse politiek, het algemeen kiesrecht en volledige financiering van het bijzonder onderwijs, tegen elkaar worden uitgewisseld en opgelost, is groter dan hij doet vermoeden. Ze is bovendien veel minder door de oorlogssituatie bepaald dan hij voor waarschijnlijk houdt. Ook ontgaat hem de reikwijdte van Nederlands toetreding tot de Volkenbond, die vereniging van overwinnaars. Het was een breuk met een jarenlange politiek van actieve neutraliteit, en tegelijkertijd ook een moment van teleurstelling over het feit dat de regering in Den Haag haar vooroorlogse rol van internationale bemiddelaar in vrede en recht, tot uiting komend in twee Haagse vredesconferenties en de plannen voor een derde, niet langer mocht volhouden.

Paul Moeyes: Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918. De Arbeiderspers, 459 blz. ƒ69,90