Wie brult daar aan het raam?

Hoe moet men zich de ruimtelijke omstandigheden van Gods bestaan voorstellen? Deze curieuze vraag stelde de rechter Daniel Paul Schreber zichzelf op grond van de goddelijke `wonderen' die aan hem en zijn omgeving waren verricht. Maar Schreber was geen theoloog, hij is een klassiek geval in de geschiedenis van de psychiatrie. En dat zou hij nooit zijn geworden zonder zijn boek Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken (1903). In het in april 1901 gedateerde nawoord beschrijft Schreber de wonderbaarlijke natuur van God en de deplorabele staat van Gods Koninkrijk.

In de inleiding bij de nieuwste heruitgave van de Engelse vertaling schrijft Rosemary Dinnage dat Schrebers boek vermoedelijk het meest besproken document is in de psychiatrische literatuur; het lijkt een postume pleister op Schrebers paranoïde en megalomane belevingswereld. Schreber (1842-1911), drie keer opgenomen in de psychiatrie, dankt zijn bekendheid niet aan zijn bespiegelingen over zijn bovennatuurlijke ervaringen, maar aan wat Freud later over Schrebers boek betoogde in Psychoanalytische Bemerkungen über einen autobiographisch beschriebenen Fall von Paranoia (1911). Het echtpaar Schreber had een onvervulde kinderwens. Schrebers achtervolgingswaan stoelde volgens Freud op verdrongen homoseksuele verlangens jegens de psychiater Flechsig die hem al eerder, tijdens zijn eerste opname, had behandeld. Flechsig stond dan voor Schrebers vader. Moderne interpreten hebben Schreber gebombardeerd tot slachtoffer van mishandeling en foltering door zijn vader èn psychiater. In A Social History of Madness (1987) portretteerde de Britse historicus Roy Porter (1987) deze artsen nu juist als de grootste boosdoeners in het leven van Schreber. Voor een uitputtend overzicht van de interpretatiegeschiedenis van het geval Schreber leze men In Defence of Schreber (1992) van de Amerikaanse psychoanalyticus Zvi Lothane.

Door de latere ontdekking van het grootste deel van Schrebers dossier is een betrouwbare reconstructie van het gehele ziektebeeld mogelijk. Opvallend zijn de regelmatige zelfmoordpogingen, het bizarre gedrag, met nachtelijk gebrul aan het venster (`Ik ben Senatspräsident van Dresden'), de bonte rij symptomen die een staalkaart vormen van nagenoeg de gehele psychiatrie, compleet met nihilistische en paranoïde wanen, beschreven door de Franse psychiaters Cotard en Capgras, de sterke stemmingswisselingen, en bovenal het horen van stemmen. Tijdens de laatste opname imponeert vooral de verstilling en de melancholische ondertoon (`Bin ewig verdammt').

Freuds interpretatie heeft Schrebers eigen ziektegeschiedenis niettemin lange tijd verdrongen. Door de heruitgave van Memoirs of My Nervous Illness is nu een completer inzicht mogelijk in diens symptomen en psychotisch gekleurde wereldbeeld. Bovendien komt Rosemary Dinnage met een onverwachte speculatie. Na de tweede opname, in het gesticht Sonnenstein, waaruit de 60-jarige Schreber eind 1902 met ontslag mocht, ging de kinderwens van de Schrebers alsnog in vervulling met de komst van de 13-jarige aangenomen dochter Fridoline. Op hoge leeftijd vertelde zij over haar grote voorkeur voor haar adoptiefvader. Volgens sommigen was Fridoline het onwettige kind van Schreber, maar daarvoor bestaat geen enkel bewijs. Toch houdt Dinnage de mogelijkheid open dat er nog meer verborgen drama's binnen het gezin Schreber bestonden. Wat zou zij bedoelen? Toch niet dat Schreber een incestrelatie had met Fridoline?

Verkiezingsnederlaag

Kort na zijn huwelijk op 36-jarige leeftijd met de vijftien jaar jongere Ottilie Sabine Behr, kreeg Schreber last van hypochondrische symptomen. Op zijn 42ste, na zijn verkiezingsnederlaag voor de Rijksdag, verbleef hij een half jaar in de universiteitskliniek in Leipzig, met wat psychiaters nu een psychotische depressie zouden noemen. Hij herstelde volledig.

Sindsdien vertoonde zijn carrière een opgaande lijn. Op zijn 51ste, een paar maanden na zijn promotie tot Senatspräsident in Dresden zocht Schreber opnieuw hulp wegens slaapstoornissen, achterdocht, het horen van vreemde geluiden, en de vrees dat hij aan hersenverweking leed. Eerst volgde opname gedurende een half jaar; daarna verbleef hij tot eind 1902 in de inrichting Sonnenstein. Na zijn ontslag beleefde hij een paar goede jaren buiten de kliniek, zonder overigens verlost te zijn van zijn stemmen.

In mei 1907 overleed Schrebers moeder. Nadat zijn vrouw in november van hetzelfde jaar een beroerte had gekregen, begon Schreber opnieuw slecht te slapen en ging zijn toestand hard achteruit. Hij kwam terecht in het gesticht Dösen bij Leipzig, waar hij tot zijn dood op 14 april 1911 werd verpleegd. Hij overleed aan hartfalen en longgangreen. De psychiatrische diagnose luidde paranoia. Zorgvuldige bestudering van het geval Schreber rechtvaardigt achteraf echter de diagnose schizofrenie.

Ter verdediging van Freuds blikvernauwing moet gezegd worden dat hij geen inzage kreeg in het medische dossier en niets wist over Schrebers laatste ziekteperiode. Zijn verhandeling is voornamelijk gebaseerd op de in 1903 verschenen Denkwürdigkeiten. In april 1910, nog vóór Freud het had gelezen, schreef hij aan Jung dat `men de wonderbaarlijke Schreber tot hoogleraar psychiatrie en directeur van een krankzinnigengesticht had moeten benoemen'.

Begin oktober 1910, amper op de helft van het boek, meldt Freud dat hij Schrebers geheim heeft doorgrond. Bij de eerste opname raakt Schrebers vrouw verliefd op de psychiater Flechsig. Schreber op zijn beurt wordt ook verliefd op Flechsig. Er ontwikkelt zich een conflict; Schreber zou Flechsig moeten haten omdat deze zijn rivaal is, maar hij houdt van hem, `als gevolg van zijn predispositie en de overdracht van zijn eerste ziekte', aldus Freud. `De infantiele situatie is nu geheel hersteld, en weldra doemt zijn eigen vader achter Flechsig op. Gelukkig voor de psychiatrie was deze vader ook – arts.'

Enige mens

De tragiek van Schrebers ellende lag besloten in zijn waandenkbeeld dat hij nog de enige levende mens op aarde was. Er was crisis in het Koninkrijk van God. In Denkwürdigkeiten ontkent Schreber met verwijzing naar Kraepelin dat hij wanen of hallucinaties heeft. `Omdat ik zelfs nu nog elke dag en elk uur indrukken krijg die me duidelijk maken dat, in de woorden van Hamlet, there is something rotten in the state of Denmark (Irgend etwas faul im Staate Dänemark) – dat wil zeggen in de relatie tussen God en de mensheid.'

Die levenloze staat verklaart waarom de verplegers in het gesticht voor Schreber niet echt bestonden maar slechts `in elkaar geflanste mannen' waren.

Behalve Schreber was iedereen dood. En God wist niet eens hoe Hij met levende mensen om moest gaan. God had alleen verstand van lijken. Er bestond één uitweg. Uit Schreber moest een nieuwe mensensoort voortkomen, door stralingscontact (`Nervensprache') met God. Daardoor voelde Schreber zich steeds meer veranderen in een vrouw.

Als Schreber in onze tijd had geleefd, zou hij misschien voor transseksueel zijn versleten, waarna hij een `ombouwoperatie' had ondergaan. Hoewel Schreber zich vaak met kleurige linten tooide en meer dan eens halfnaakt voor de spiegel stond, was hij transseksueel noch travestiet, maar een schizofreen met de waan dat hij was veranderd in een vrouw.

Na lezing van Denkwürdigkeiten is Freuds nadruk op Schrebers passieve homoseksuele strevingen niet eens zo vreemd. 's Nachts moet Schreber zich met kracht teweerstellen tegen homoseksuele indringers. Gekweld door God, vampier en duivel, hoopt hij op verlossing door toe te treden tot de rooms-katholieke kerk. Gods `Wundererscheinungen' en de heilige muziek geven hem het gevoel dat hij al in een andere wereld leeft.

Net als Schreber overkomt de hoofdpersoon in de nieuwe vertaling van Dagboek van een gek van Nikolaj Gogol (1809-1852) op zijn 42ste een ramp, maar de psychische reactie is op het eerste gezicht een stuk vrolijker. Hij hoort honden met elkaar praten, waardoor je denkt in een slapstick te zijn verzeild. Maar ook hier slaat de ontreddering toe. Aksenti Loopbaan is een kleine ambtenaar, ongehuwd, met niet al te veel zin om naar zijn werk te gaan. Als hij zijn chef een voorschot wil vragen, wordt hij als door de bliksem getroffen bij de aanblik van Sophie, de dochter van de directeur. Hij peinst hoe hij haar kan versieren tot hij haar hond met een andere hond ziet smoezen. Hij onderschept de brieven die de honden elkaar schrijven, waaruit blijkt dat het meisje de voorkeur geeft aan een betere partij.

Gogol laat de krenking die Loopbaan treft, omslaan in een hilarisch soort megalomanie. In de krant leest Loopbaan dat er in Spanje rare dingen gebeuren. Er zou iets niet pluis zijn met de koning, er waren onlusten en vanuit het buitenland loerde gevaar. Op 43 april 2000 ziet Loopbaan plotseling het licht: `Spanje heeft een koning. Hij is terecht. Die koning ben ik.' Na een kort verblijf in Spanje keert hij ten slotte terug naar de veilige moederschoot.

Ook in de huidige psychiatrische praktijk blijkt terugkeer naar je ouder(s) soms de beste optie. Na zijn ontslag uit Sonnenstein trekt Schreber in bij zijn hoogbejaarde moeder, omdat zijn vrouw hem niet terug wil hebben en zich stoort aan zijn waanzinnige gebrul.

Daniel Paul Schreber: Memoirs of My Nervous Illness (Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken). Heruitgave; vertaling en redactie Ida Macalpine en Richard A. Hunter. Nieuwe inleiding van Rosemary Dinnage. New York Review Books, 455 blz. ƒ41,15

Nikolaj Gogol: Dagboek van een gek. Vertaling en nawoord Arie van der Ent. L. J. Veen, 61 blz. ƒ24,90