Voor de bloei van Rotterdam

Rijke stedelingen beslissen in Rotterdam over de topstukken van Museum Boijmans Van Beuningen, niet de overheid. Dat levert spanningen op,

nu een Amerikaan oorlogskunst terug wil. Wie zijn de Boijmans-mannen?

Het leek zo'n mooie start. De eerste aankoop van de Stichting Museum Boijmans was het schilderij De Emmaüsgangers van Johannes Vermeer. Kosten: 540.000 gulden. Trots prijkt het werk op de stichtingsakte van 19 juli 1939. De aankoop voldeed geheel aan het doel van de particuliere stichting: bevorderen van de bloei van het Museum Boijmans te Rotterdam. ,,De Stichting tracht dezen bloei onder meer te bevorderen door het verwerven van kunstwerken, in de verzameling van het Museum passend, en het bevorderen van het bezoek aan het Museum, het organiseren van tentoonstellingen en dergelijke, alsmede alles wat met het voorgaande in den ruimsten zin verband houdt.''

Twee keer was Museum Boijmans een werk van Vermeer misgelopen, maar nu was het gelukt. Het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen wilde het schilderij voor het Rijksmuseum, maar Rotterdam versloeg Den Haag en Amsterdam in één keer. Er was veel publiciteit, P.C. Boutens schreef een lofdicht, kunsthistorici kibbelden over de datering. Totdat kunstenaar Han van Meegeren, verdacht van verkoop van een `Vermeer' aan Göring, in 1945 vertelde dat hij de maker was van De Emmaüsgangers. Geen andere vervalsing werd zo beroemd als Van Meegerens Vermeer.

De blunder werd snel goedgemaakt. Veel bezit van de Stichting stamt uit de oorlogsjaren. Van de 150 tussen 1939 en 1993 verworven inventarisnummers, die meestal verwijzen naar een enkel kunstwerk en soms naar een collectie, werden er maar liefst 57 verworven in de periode 1939-1944. De aanwinsten uit die periode zijn hoogtepunten uit de huidige collectie van Museum Boijmans Van Beuningen: Portret van Titus van Rembrandt, De kwakzalver van Gerard Dou, het bronzen danseresje van Degas. En vooral de Koenigs-collectie, met bijna tweeduizend tekeningen van Dürer tot Cézanne, vier panelen van Jeroen Bosch en vier olieverfschetsen van Rubens.

Tot de aanwinsten uit de oorlogsjaren behoort ook de tekening die de Stichting nu zoveel ongewenste publiciteit bezorgt. Godsvertrouwen van Jan Toorop, het portret van een Zeeuwse boer uit 1907, werd in 1943 aan de Stichting geschonken door twee bestuursleden. De Amerikaanse bankier Walter Eberstadt claimt de tekening omdat deze kort voor de oorlog door de nazi's werd geroofd van zijn Duits-joodse grootouders. Eberstadt wordt in zijn eis gesteund door de Amerikaanse regering. Ook de gemeente Rotterdam en Museum Boijmans Van Beuningen, allebei vertegenwoordigd in het bestuur van de Stichting, hebben zich voor teruggave uitgesproken. De druk neemt toe, maar de vereiste tweederde meerderheid van het bestuur, die nodig is om de tekening terug te kunnen geven, wordt net niet gehaald. Afgelopen maandag besloot men een externe adviseur aan te stellen.

Gemeenteruif

De zaak Eberstadt toont het uitzonderlijke van de Boijmans-constructie: het is een openbaar museum met een privé-collectie. Anders dan in Amsterdam en Den Haag, waar de overheden de baas zijn, speelt de stedelijke elite in Rotterdam een grote rol in het kunstleven. Niet het rijk, de gemeente of het museum beslist over wat er met Godsvertrouwen gebeurt, maar het bestuur van de Stichting. Als dat bestuur de bloei van het museum denkt te bevorderen door de collectie van de Stichting elders onder te brengen, valt daar weinig tegen te doen. In aantallen valt het aandeel van de Stichting wel mee: van de ruim 113.000 geregistreerde objecten in Boijmans zijn er 3569 in bezit van de Stichting. Maar daar zitten wel de topstukken bij.

Museum Boijmans Van Beuningen is afhankelijk van de Stichting. Vanwege het beheer van de collectie, maar ook in financieel opzicht: dankzij het netwerk van het bestuur werden tal van bedrijven geworven als `Bijzondere Begunstiger'. Het werven van donateurs en begunstigers is als taak opgenomen in de huidige statuten van de Stichting, net als het uitgeven van publicaties, bijvoorbeeld de jaarlijkse Boijmans-agenda. Het organiseren van tentoonstellingen laat de Stichting nu aan het museum over. Het doel is sinds 1939 niet gewijzigd, alleen opnieuw geformuleerd: bevorderen van de bloei heet nu ondersteunen van de belangen van Boijmans. Museumdirecteur Chris Dercon heeft geen moeite met zijn afhankelijke positie. ,,De voordelen wegen zwaarder dan de nadelen. Zonder de financiële steun van de Stichting was de Jeroen Bosch-tentoonstelling van dit najaar onmogelijk geweest. Niemand geloofde er in, zij wel.''

Onafhankelijkheid van het museum, en op die manier ontsnappen aan de overheid, dat was een belangrijk motief voor de oprichting van de Stichting Museum Boijmans. Initiatiefnemer Willem van der Vorm, directeur van de Scheepvaart- en Steenkolenmaatschappij, was geen liefhebber van overheidsbemoeienis. Toen Boijmans-directeur Dirk Hannema voor het eerst een beroep deed op zijn kapitaal, met het verzoek bij te dragen aan een aankoop voor het museum, zei Van der Vorm: ,,Denk je dat ik mijn geld aan mensen geef die uit de gemeenteruif vreten?'' Hannema kreeg toch vijfduizend gulden om het schilderij van Emanuel de Witte te kunnen kopen, met de tip om het ook eens bij collega-magnaat D.G. van Beuningen, directeur van de Steenkolenhandelsvereniging, te proberen.

Die drie mannen hebben Boijmans gemaakt tot wat het nu is. Van der Vorm en Van Beuningen staken hun rijkdom voor een deel in hun kunstcollecties, die allebei in het museum zijn terechtgekomen. Ze waren meer dan havenbaronnen, hun zakelijke belangen varieerden van spoorlijnen tot chemiebedrijven. Van der Vorm redde in 1933 de Holland-Amerika Lijn, Van Beuningen richtte onder veel meer rondvaartbedrijf Spido op. Hun huizen, aan de Westersingel en de Parklaan, puilden uit van de kunstwerken. Op het landgoed van Van Beuningen in Vierhouten hing De toren van Babel, nu het pronkstuk van de Breughel-tentoonstelling, boven het spirituskomfoor waarop hij zijn ontbijt van eieren en spek bakte.

De romantiek van het vooroorlogse zakendoen laat zich lezen in één achteloos zinnetje uit Van Beuningens ongepubliceerde gedenkschiften. In 1932 maakte Van Beuningen een proefreis met de Rotterdam, vlaggenschip van de Holland-Amerika Lijn, naar de Middellandse Zee. ,,Op de terugreis met de Orient Express maakte ik te Wenen een kort oponthoud om de affaire van de Auspitz-collectie af te wikkelen.'' Reizen met de Orient Express, niet uit nostalgie, maar uit noodzaak. En die Auspitz-collectie, dat betrof veertig schilderijen van onder andere Tintoretto, Veronese, Cranach en Van der Weyden.

De keerzijde van dergelijk zakendoen komt het best tot uiting in de persoon van Dirk Hannema, directeur van Museum Boijmans tussen 1921 en 1945. Zijn grootste talent was bedelen bij verzamelaars en geldschieters, die hij overhaalde om collecties te schenken of aankopen te financieren. Hij probeerde de collecties van Van der Vorm en Van Beuningen te sturen, soms in een-tweetjes met kunsthandelaar Jacques Goudstikker, en schroomde niet om de twee mecenassen tegen elkaar uit te spelen. Dankzij Hannema werd het nieuwe museum aan de Mathenesserlaan gerealiseerd, stegen de bezoekersaantallen met sprongen en kreeg de collectie van Boijmans internationale allure. Tijdens de bezetting was Hannema ook een collaborateur, die stukken schreef in NSB-publicaties, lid was van de Kultuurraad en zich door Mussert liet benoemen tot `Gemachtigde van den Leider voor het Museumwezen'.

Führermuseum

In 1940 sloeg Hannema, met financiële hulp van Van Beuningen, zijn grootste slag. De unieke kunstcollectie van de Duitse, later Nederlandse bankier Franz Koenigs bevond zich al sinds 1935 als bruikleen in Boijmans. De collectie gold als onderpand voor een lening bij de joodse bank Lisser & Rosenkranz in Amsterdam. Financiële problemen dwongen Koenigs de collectie aan de bank over te dragen, die de verzameling, gezien de oorlogsdreiging, voor een zeer laag bedrag verkocht aan Van Beuningen.

Acht maanden later, eind 1940, verkocht Van Beuningen 526 tekeningen - ongeveer een kwart van het totale aantal – aan Hitler, als bijdrage aan het beoogde `Führermuseum' in Linz. Ruim driehonderd van deze tekeningen bevinden zich sinds 1946 in het Poesjkinmuseum in Moskou en worden door de Nederlandse staat geclaimd. Vermoedelijk zal teruggave van dit deel van de Koenigs collectie, een slepende zaak, volgende week aan de orde komen tijdens het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Rusland.

Later verkocht Van Beuningen voor 1,5 miljoen gulden negentien schilderijen uit de collectie aan Hitler, die hij in 1952 via de Stichting Nederlands Kunstbezit voor drie ton kon terugkopen. Verreweg het grootste deel van de Koenigs-collectie is dankzij een schenking van Van Beuningen in 1941 nu in het bezit van de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen.

Christine Koenigs, kleindochter van Franz Koenigs, wijdt in een pas verschenen eigen onderzoek bittere woorden aan de transacties van Van Beuningen. In haar ogen heeft Van Beuningen, aangespoord door Hannema, misbruik gemaakt van de oorlogsomstandigheden. ,,De realiteit is dat Hannema en Van Beuningen namen wat zij wilden, hun acties camouflerend met de doorschijnende vorm van het wettelijk vereiste.'' Christine Koenigs claimt de Koenigs-collectie in het bezit van de Stichting en roept het bestuur op ,,om de echtheid van deze claim te onderzoeken en elk onrecht aan mijn grootvader door onoplettendheid of met opzet begaan te vergoeden.''

De onzekerheid van de late jaren dertig heeft zeker bijgedragen aan de oprichting van de Stichting. Hannema omschrijft het in zijn memoires als volgt: ,,Men was in de dertiger jaren vaak om politieke redenen huiverig om zijn geld aan een openbare instelling te geven.'' De Stichting ontnam rijke patriciërs hun angst voor een bodemloze overheidsput, in een tijd dat door economische crisis en oorlogsdreiging de wereld op z'n kop stond. Bovendien waren hun schenkingen op deze manier veilig, buiten het bereik van de gemeente. Om het stadsbestuur er toch bij te betrekken, werd burgemeester Oud - naast Van der Vorm, Van Beuningen, H. van Beek, K.P. van der Mandele en A.J.M. Goudriaan een van de oprichters - benoemd tot voorzitter en namen twee wethouders plaats in het bestuur. In 1983 werd de burgemeester weggepromoveerd tot ere-voorzitter en het aantal wethouders teruggebracht tot één.

De Boijmans-mannen, behorend tot de protestantse bovenlaag, zagen het als hun taak om de samenleving te steunen. Ondanks die betrokkenheid leken ze weinig begrip te tonen voor de benarde situatie van joden. Alleen Van Beuningens aanbod aan de bevriende kunsthandelaar Goudstikker om het land te verlaten in een van zijn schepen, wijst in die richting. Hannema was uitsluitend geïnteresseerd in uitbreiding van de museumcollectie. Dat joodse verzamelaars voor en tijdens de oorlog onder grote druk stonden, was voor hem eerder een kans dan een zorg. Na de oorlog werd Hannema, na acht maanden gevangenschap, ontslagen van rechtsvervolging. Van der Vorm heeft hem vurig verdedigd bij het gemeentebestuur, maar zijn terugkeer als museumdirecteur werd mede dankzij protest van collega's uit andere steden voorkomen. Het bestuur van de Stichting zag geen aanleiding om Hannema te weren als secretaris.

Continuïteit

Op mededogen bouw je geen bedrijf, en ook geen museum. De zakelijke benadering van de oprichters, waarbij formele overwegingen het winnen van morele, zet zich voort bij de huidige bestuursleden. Uit hun weigering om de Toorop-tekening te retourneren spreekt zelfvertrouwen en onverzettelijkheid, door sommigen vertaald als hooghartigheid en gebrek aan souplesse. Bij drie van de bestuursleden hoeft dergelijke continuïteit niet te verbazen, zij zijn familieleden van oprichters van de Stichting (zie kader). Maar er zijn meer overeenkomsten.

Er is geld, bijvoorbeeld. Willem van der Vorm en Daniel George van Beuningen waren puissant rijk, en de huidige bestuursvoorzitter Joop van Caldenborgh doet het hen na. Van Caldenborgh is oprichter en directeur van de chemische onderneming CALDIC, goed voor een omzet van bijna een miljard gulden. Met een persoonlijk vermogen van 370 miljoen gulden staat Van Caldenborgh in de Quote-lijst van rijke Nederlanders op nummer 81. Net als Van Beuningen noemt hij zichzelf het liefst een koopman, net als Van Beuningen heeft hij een schitterende kunstcollectie. Van Caldenborgh geldt als een van de grootste particuliere kunstverzamelaars ter wereld. In de zomer van 2002 zal een deel van zijn collectie in Museum Boijmans worden geëxposeerd. Bestuurslid Jos van der Vorm is gelieerd aan de familie Van der Vorm, die met een vermogen van 3,8 miljard op nummer 7 van de Quote-lijst staat. Na de verkoop van de Holland-Amerika Lijn komt het familiekapitaal nu uit het investeringsfonds HAL.

Ook de aard van het geld komt overeen. Van der Vorm en Van Beuningen waren nieuwkomers in de Rotterdamse haven, Van Beuningen kwam - overigens net als de andere naamgever van het museum - uit Utrecht. Ze behoorden niet tot het Rotterdamse patriciaat, het gesloten netwerk van een beperkt aantal oude bankiers-, reders- en koopmansfamilies zoals Mees, de Monchy, Muller, Dutilh, Burger en Van Rijckevorsel. Ook selfmade man Van Caldenborgh kan niet bogen op oud geld, en zal door het handjevol aristocraten dat Nederland nog telt worden beschouwd als nouveau riche. Het spierballengedrag dat daarbij hoort vertoonde Van Caldenborgh door de villa tegenover het museum te kopen die zijn vriend Bram Peper graag wilde bewonen. De villa wordt nu door Van Caldenborgh aan het museum verhuurd als kantoorruimte.

Net als zestig jaar geleden biedt het stichtingsbestuur inzage in het netwerk van de Rotterdamse elite. Twee lokale maatschappelijk-culturele fondsen zijn vanaf de oprichting nauw met de Stichting verbonden: de Erasmusstichting en de Stichting Bevordering van Volkskracht, respectievelijk opgericht in 1911 en 1923. J.M.F. Hudig is present in alledrie de besturen. Voor beide fondsen is, net als voor de landelijke Vereniging Rembrandt, een bestuurszetel gereserveerd. Van Caldenborgh, ook voorzitter van de Kamer van Koophandel in Rotterdam, bekleedt veel culturele nevenfuncties. Hij zit in de besturen van de Kunsthal, het Nederlands Foto Instituut, Manifesta en het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

De overheid heeft nooit een leidende rol gespeeld in het culturele leven van Rotterdam. Het initiatief lag bij rijke burgers, die vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zelf gingen zorgen voor ontmoetingsplaatsen. De groei tot grote haven- en industriestad zorgde voor lokale trots en behoefte aan een eigen society. Instellingen als het Rotterdamsch Leeskabinet (1859) en de Hoogduitsche Opera (1860) voorzagen in die behoefte. Na een sluimerend bestaan in het Schielandshuis kreeg Museum Boijmans met de verhuizing naar de Mathenesserlaan en de oprichting van de Stichting een centrale rol in het culturele leven. Notabelen konden elkaar complimenteren met hun weldaden voor de stad, en zich koesteren in het onvergankelijke prestige van de kunsten.

Het is een traditie die door het huidige bestuur van de Stichting Museum Boijmans Van Beuningen met liefde in stand wordt gehouden.

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van o.a. de volgende publicaties: `Arti & urbi, De Stichting Museum Boymans-Van Beuningen als steunpilaar onder een Rotterdams museum' (Ter Molen, 1993); `150 jaar Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam, Een reeks beeldbepalende verzamelaars' (red. Ter Molen, 1999); `Patronen van patronage, Mecenaat, protectoraat en markt in de kunstwereld' (Hitters, 1996).